Met mijn één van mijn zussen uit doe ik een onverwachte ervaring op als ik samen met haar mijn vaders huis ontruim, als die in de gevangenis zit. Alle kamers moeten één voor één ontruimd worden, omdat zij anders het overzicht zou verliezen. Ze laat ook aan mij de verantwoordelijkheid om mijn vaders imboedel aan de Kringloop mee te geven.
Mijn vader is in de gevangenis al flink verward geraakt, uitmondend in een diagnose “fronto-temporale dementie”, dus ik ga ervan uit dat hij bij het verlaten van de gevangenis toch niet meer weet wat hij allemaal bezit en bezeten heeft. Ik heb alleen een doos foto’s bewaard. Ik heb de situatie goed ingeschat, maar mijn zus lijkt te onzeker om zo’n ingrijpende beslissing te nemen: boven de vijftig en nog steeds bang voor haar beginnend dementerende vader, die bovendien niets kan doen, omdat hij in de gevangenis zit.
Ik ben geschokt, ook door mijn zus’ hang naar veiligheid en zekerheid, die ze vindt in het gestructureerd ontruimen van een huis. Geheel in tegenspraak daarmee lijkt de ordeloze rommel waartussen zij zelf leeft. Wat ik van mijn vader herken is de eindeloze rij ordners met persoonlijke en zakelijke administratie, waarmee ze zichzelf de zekerheid verschaft, “alles bewaard te hebben”, relevant of niet. Van collega’s en uit mijn langdurige lat-relatie, weet ik dat het om schijnzekerheid gaat, want op het moment dat ze een document of wachtwoord echt nodig hebben, blijken ze zoveel te hebben verzameld, dat ze het gezochte niet kunnen vinden. Mijn zus heeft een opruimcoach nodig om enige orde in de chaos te scheppen.