Jouw eerste sterfdag (brief 200)

Lieve mam,

Voor het eerst na bijna een jaar, lijkt er iets van berusting te ontstaan. De leegte, zonder jou, is op geen enkele manier opgevuld; wel wordt de onoverbrugbaarheid van ‘het ravijn van nooit meer’ steeds onherroepelijker. Daardoor groeit de afstand tussen ons, zonder dat ik het wil.

In die zin lijkt de situatie nu zelfs slechter dan vlak na je dood. Ik voel me niet vrolijker dan een half jaar geleden; de troostende liefde heeft zich niet voorgedaan en toch huil ik de laatste dagen niet meer om je. Nog steeds verslaap ik het liefst mijn dagen, zie ik geen redelijk perspectief en toch is het verdriet minder manifest en minder voelbaar dan een week geleden. Ik kan zelfs je filmpjes zonder tranen aanzien; ben blij dat ik je stem kan horen en je gezicht kan zien wanneer ik maar wil, maar ik ervaar ze momenteel eerder als aandoenlijk dan als verdrietig. Het maakt het leven draaglijker, maar het is niet meer dan een gevoel, want feitelijk is er niets ten goede veranderd.

Geldermalsen
Zoals ik er nu voorsta, zou ik op je eerste sterfdag het liefst naar Hooge Hoeven 34 in Geldermalsen gaan om daar voor de deur stiekem wat as te verstrooien. Afhankelijk van het weer, zou ik gaan fietsen, omdat ik dan ook de weg van huis naar school en terug kan rijden, maar in de kleine tien jaar dat je er gewoond moet hebben, kwam ik vanuit Utrecht meestal per trein, staat me bij. Het was naar mijn idee nog een flinke tippel vanaf het station maar je huis. Ik zal het over twee weken nog eens ervaren.

Herinneringen
Ik herinner me in elk geval twee foto’s met Bamboe erop voor je deur en in je tuin, in de bloei van zijn leven. Ergens eind jaren tachtig, schat ik
Ik ben benieuwd hoeveel herinneringen er zullen bovenkomen, maar misschien voel ik me ook alleen maar extra ontheemd en verlaten zoals vorige zomer op Texel toen ik het er geen dag uithield. Op dit moment verheug ik me op Geldermalsen.

Lange brief
Als dit de laatste brief wordt voor je eerste sterfdag dan wordt het een lange, tenzij ik in bed blijf liggen natuurlijk. Hoewel ik getraind langslaper ben geworden, is twaalf dagen zelfs voor mij te lang.

Dichtbij
In weerwil van wat ik hier boven schreef, kom je weer dichterbij, zogauw ik je begin te schrijven. Ik ben ook benieuwd hoelang die behoefte blijft bestaan. Vooralsnog droogt het niet op en blijf ik je vertellen over al mijn onbeduidende wederwaardigheden, zoals ik altijd heb gedaan. Omdat jij mijn moeder was en de enige aan wie ik ze kwijtkon. Het begin van brief 200 is er.

Zaterdag 13 juni
Na drie dagen zonder tranen drong die éne herinnering uit de hospice zich weer op van Carine die op de dinsdag voor je dood tegen je zei: ‘Doe je mond maar open, ma’, om de stukjes kers eruit te halen die je niet meer had kunnen doorslikken. Zo hulpeloos was je. Deze herinnering blijft terugkomen, andere vervagen en die zal ik op een dag moeten teruglezen in één van mijn brieven aan jou. Deze brengt je het meest dichtbij in al je kwetsbaarheid aan het eind van je leven. Ik wilde eerst naar buiten rennen, de deur hard dichtslaan om naar park Bloeyendael te gaan, maar dit tegelijk opschrijven. Inmiddels is het verdriet weer gezakt en ga ik maar een uurtje trappen op de rollerbank.

Zondag 14 juni
Geen idee of ik dit al eerder opgeschreven heb, maar op je sterfbed viel me op hoe diep de gaten waren tussen je hals en sleutelbeen. Later zag ik dat je ze ook al had toen ik tien maanden eerder het filmpje maakte waarin je vertelde over Henry Netto en buurvrouw Joke. Je troostte je met de gedachte dat zij ‘nog dunner’ was dan jij en ook een kankerdiagnose had. Tegen beter weten in natuurlijk. Misschien waren de geulen nog iets minder diep, maar het duidt erop dat je al langere tijd slecht at. Nooit heeft je oudste dochter Carine hierover ook maar iets losgelaten, laat staan haar zorg uitgesproken. En dat, terwijl ze zes dagen per week de deur bij je platliep en meehielp je AOW op te vreten. Ook je kleindochters zou het opgevallen kunnen zijn. Carine was natuurlijk te druk met haar eigen angsten om zich om jou te bekommeren; je jongste kleindochter Lyra zou ik, bij gelegenheid, kunnen vragen. Ben benieuwd wat zij te zeggen heeft.

Maandag 15 juni
Wim T. Schippers is overleden. Net als je zus Clara net geen 84 geworden. Ik had veel bewondering voor hem: voor zijn bewegende kunstwerken, al was het maar een fallussymbool, zijn tv- en radioprogramma’s, die lang niet altijd goed waren, maar wel baanbrekend, en bovenal zijn meesterlijke vertolking van Ernie uit Sesamstraat. Nauwelijks voor te stellen dat Ernie nu ook dood is. In mijn slaapkamer hangen ze nog. Ook in de vorm van slofjes van je kleindochter. Vela is as. donderdag jarig, voor altijd een week voor je sterfdag. Ik heb besloten om haar namens jou en mij 50 euro te geven. Tegelijkertijd heb ik de adressen van je andere kinderen uit mijn telefoon en van de adreslijst verwijderd.

Viespeuk
Zou ik bij je hebben gezeten met het overlijdensbericht van Wim T. Schippers in het achterhoofd, hadden we het zeker even over hem gehad. Hij was als programmamaker bij uitstek degene die onze generaties verbond, meer nog dan Koot en Bie, vanwege zijn vroege televisiewerk. Jij zou hem waarschijnlijk ‘een viespeuk’ noemen, vanwege zijn steelse blote tieten in de Fred Hachee show en zoals ik het nu zie, sloegen de vermeende seksuele fantasieën van Fred Hachee tijdens de show als k. op Dirk, net als het kwisje dat ze deden. Maar toen Veronica met naakt op tv kwam, had Schippers de weg voor hen geëffend. En voorloper zijn, is natuurlijk zijn grootste verdienste. Nu begrijp ik je weerzin tegen de blootheid wel die hij begin jaren zeventig opvoerde. Misschien speelde je preutsheid, maar waarschijnlijker is dat jouw eigen vrouwelijkheid je weinig goeds heeft gebracht. Ik kan het je niet meer vragen, helaas.

Woensdag 17 juni
Op de valreep liet je ons je spaargeld na. In mijn geval precies genoeg om mijn mooie, oude Montelbank opnieuw te laten bekleden. Hij wordt weer mosterdgeel, althans dat hoop ik op basis van een staaltje dat ik gekozen heb. Dan heb ik de komende jaren nog een aandenken aan jou, mocht ik tijd van leven hebben. Mijn audio is ‘af’, daarvan geniet ik bijna elke dag. Hoewel de wereld leeg blijft zonder jou, geniet ik weer af en toe. Ik weet niet hoe het kan; het zal wel zelfbehoud zijn.

Heb vandaag je oudste kleindochter een verjaardagskaart gestuurd, namens jou en mij met 50 euro erbij. Vorig jaar heb je het haar waarschijnlijk niet meer kunnen geven, twee dagen voordat je de hospice inging. Ik stel me voor dat het naar je zin is.

Donderdag 18 juni
Was op stap met een vriend. Aardig dat hij me meevraagt. Hij weet dat met jouw dood, die van je zussen, je kwelgeest Theo, je broertje en het afscheid van mijn halfzussen en -broers mijn hele sociale omgeving is ingestort. Nog altijd komt eens per maand Jacoba van Humanitas als rouwbegeleider met me praten. Hierbij een bericht aan haar: ‘Het gaat momenteel wel iets beter. Ben aan brief 200 begonnen. Mama is as. donderdag een jaar dood. Wil even naar Geldermalsen gaan, waar ze in de jaren tachtig woonde en waaraan ik dierbare herinneringen heb. Mijn wijze teckel leefde nog die in mijn brieven Bamboe heet. Terwijl ik dit schrijf, slaat het ongeloof weer toe. Tot morgen. Arthur’.

Zaterdag 20 juni
Vanavond zag ik je kleine lijfje met je smalle, bleke koppie erboven ineens weer liggen in die veel te grote rieten mand. Zorgvuldig opgemaakt door je dochters met je eigen rode lippenstift. Precies het kleine beetje ijdelheid accentuerend dat je nog restte in je laatste dagen, waarmee je zelfs je eigen lippen nog gestift had. Je lag erbij als Doornroosje, maar dan één die tijdens haar slaap 86 jaar ouder was geworden. Bij de herinnering moest ik weer huilen, omdat je slaap zo onherroepelijk was; Doornroosje was een ijskoude porseleinen pop geworden die in de verte nog veel van mijn moeder weg had. Meer dan andere doden in elk geval die ik er vooral onherkenbaar griezelig vond uitzien.
Jou vond ik niet griezelig, alleen mijn vingers op je voorhoofd en haar trok ik schielijk terug, omdat je koud was. Dood mam, voor altijd hartstikke dood; een ouwe, dooie porseleinen Doornroosje. Net zo’n indringende herinnering, waarmee ik moet leren leven, als die van de kersjes in je mond die je niet meer had kunnen doorslikken.

Zondag 21 juni 2026 (de ‘langste’ dag)
Volgende maand zou ik twee weken op de keeshond van Nicole gaan passen, zoals ik eerder ook had gedaan met een ander model. Met die eerste hond kon ik binnen de kortste keren lezen en schrijven. Kees liep zelfs los naast de vouwfiets, herinner ik me. Deze nieuwe kees die Tony heet, kon niet naast de ligfiets lopen, omdat hij aan de fiets en aan de riem links naast me wilde gaan lopen. Los kon hij ook niet, omdat hij blind achter elke hond aan ging en hij trok als een bezetene. Van twintig minuten wandeelen was Tony een kwartier bezig zichzelf te verwurgen en hij groef uit verveling mijn halve tuin om. Ik had eerder aangeboden om op hem te passen, maar heb mijn spankracht zwaar overschat. Je bent er bijna een jaar niet meer mam, maar ik kan nog steeds niks zonder jou, behalve schrijven, huilen en slapen. Ik hoopte dat het iets beter met me ging: niet dus. Ik voel me weer zo machteloos en wanhopig. Volkomen uit mijn evenwicht door een hond die ik niet aankon. Ik hoop dat het morgen weer wat beter gaat als de zon weer schijnt en ik niet terug bij af blijk te zijn. Het is T-shirten-weer en ik kan zo vanuit mijn bed de zon in. Het warme weer blijft aanhouden, dus op je eerste sterfdag kan ik waarschijnlijk naar Geldermalsen fietsen. Misschien troost het onderweg-zijn. Het is niet zo dat ik me erop verheug, maar ik kijk er op dit moment wel naar uit. Van lezen en muziek-luisteren geniet ik nog en ik ben dolblij van mijn plaaghond af te zijn.

Dinsdag 23 juni
Moet weer zoveel huilen om het gemis en al direct vanaf het moment dat ik opstond. Ik weet dat je sterven moest. Mijn hand lag over je tot vuist gebalde kleine hand en soms voelde ik een trilling, alsof je het niet fijn vond. Een half uur later was je voor altijd stil. Een jaar later denk ik nog steeds: ‘Mam, waarom moest je me verlaten?’ Ik ken het triviale antwoord, maar het betekent dat ik nog niet aan acceptatie toe ben. Ook de berusting die ik aan het begin van deze brief nog veronderstelde, lijkt te vervagen nu je eerste sterfdag nabij is.

Donderdag 25 juni
Ben op weg naar Geldermalsen. Op Google Maps kon ik al zien dat er iets veranderd is; er zit nu een winkel. Gek idee om op het perron van station Vaartsche Rijn te staan waar jij de laatste jaren ook stond als je naar je zus Clara ging. Jouw voetstappen liggen er zonder dat je dichterbij komt.

Het was veel te heet om te gaan fietsen, sowieso heb ik daar geen zin meer in. Nog steeds verslaap ik het liefst mijn dagen en toevallig is het met deze hitte van boven de dertig graden ook het best uit te houden in bed.
In de trein is zowaar airco die werkt, maar de liften op station Geldermalsen zijn dan weer stuk, zodat ik mijn fietsje trap-op, trap-af moet slepen. Je zult maar rolstoelafhankeijk zijn? Mijn benen zijn al weer veel sterker dan in februari door het fietsen op de rollerbank, maar mijn evenwicht lijkt niet verbeterd, dus tillen blijft een hele toer.

We staan stil in Culemborg, waar ik op het vreselijke KWC zat. Zo even naar buiten kijken om de route langs het spoor te volgen die ik zomer en winter reed, heen en terug. Het beste staan me daarvan bij de tranen van eenzaamheid die ik liet in de eerste maanden van gewenning op de leerfabriek en de glijpartijen als het bruggetje aan het eind van de Parallelweg langs het spoor bevroren was.

Ik zit nu vredig te wachten tot het kwart voor vijf is: je moment van sterven, precies een jaar geleden, op een bankje voor nummer achtendertig. Ik vond het een knap eind van het station, veel verder uit het centrum dan me voor de geest stond. Op het fietsje, vergezeld door Google Maps, heb ik vast niet de kortste route genomen. Volgens Maps is het een halfuur lopen naar het station. Dat ik zoiets ooit voor je over heb gehad, ma. Ik kan me nu voorstellen dat je er langzaam vereenzaamde begin jaren negentig, zo zonder ons, zonder echte vriendinnen en nog zonder kleinkinderen, kortom: zonder iemand om voor te zorgen. Blij dat ik geweest ben vandaag, al was het dan per trein en het vouwfietsje. Veel herinneringen kwamen er ook niet boven, al was het maar omdat je voortuintje versteend was, waar in jouw tijd nog een laag houten hekje en planten hadden gestaan. Aan zo’n rijtje nieuwbouwwoningen is toch al weinig te zien. Ze hebben wel hun best gedaan er een groen wijkje van te maken, met nog steeds overwegend huurwoningen: zonnepanelen zag ik nergens.

Voor ik hier kwam, nog even langs onze oude boerderij gereden. De oude notenboom heeft inmiddels een monumentenstatus gekregen; mijn slaapkamerraam naar zolder herkende ik nog, de voordeur en het smeedijzeren hek. Net als als op je wandkleedje is het weggetje er nog dat in een bocht naar het huis toeloopt. Meer is er niet over uit de jaren zeventig, alles volgebouwd, weilanden en pruimenbomen verdwenen, maar dat wist je al. Eigenlijk nog bijzonder dat Tricht zijn dorpse karakter behouden heeft, ondanks de ligging aan hoofdspoorlijn: Utrecht-Den Bosch. Een plaats als Bussum heeft zinj hele bestaan te danken aan de trein.

Ondershands nog even wat as verstrooien, ma.

Veel liefs,

Tuur

PS: Deze brief is afgerond; ben benieuwd wanneer ik je weer ga schrijven.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *