De ontmoeting

Mijn vader en moeder ontmoeten elkaar vlakbij vliegveld Hilversum. Zij is 16, hij 21. Moeder is oudste uit een gezin van zeven kinderen en past geregeld op haar drie veel jongere broertjes Zij is van voor de oorlog, de broertjes van erna: een echte cesuur in het gezin. Op deze zomerdag houdt ze een broertje zoet door met hem vliegtuigen te gaan spotten op vliegveld Hilversum. Net als vandaag de dag landen er kleine motortoestellen en zweefvliegtuigen. Het is een hele rit vanuit Utrecht naar Hilversum voor een meisje met een broertje achterop dat half zo oud is.

Naast het vliegveld is een klein vennetje dat nu met prikkeldraad is afgezet; in de oorlogsdagen ontstaan om het vliegveld te kunnen uitbreiden. Daar ontmoet ze een jongeman in uniform, met een donkere krullenbol en prachtige tanden voor wie ze meteen valt en ook voor het uniform. Waarschijnlijk dat van gewoon soldaat, maar indrukwekkend genoeg voor een meisje van zestien.

Luchtvaartpiloot
Mijn vader is daar voor het halen van een vliegbrevet: hij wil luchtmachtpiloot worden. Dat brevet heeft hij gehaald want ooit ben ik met hem meegevlogen vanaf vliegveld Lelystad op een éénmotorig toestel. Luchtmachtpiloot is hij nooit geworden, waarschijnlijk is hij daarvoor te ongezeglijk. Wel heeft hij in de jaren tachtig en negentig een redelijk succesvolle vliegschool: als hij dan geen luchtmachtpiloot kon worden; dan toch één van mijn halfbroers piloot op de grote luchtvaart. Ook dat is niet gelukt.

Verlegen meisje
Aan het vennetje moet mijn vader haar hebben aangesproken met iets als: “Zo, zo, met je kleine broertje op stap? Onvergetelijk. Er zal zich een klein gesprekje ontsponnen hebben tussen een brutale, wereldwijze jongeman die het Jappenkamp overleefd heeft en een verlegen Utrechts meisje. Ze drinken chocola bij een naastgelegen uitspanning waar we 60 jaar later ook afscheid van hem nemen, kort nadat mijn vader overleden is. Het heet dan nog Floyds, sinds een paar jaar: Woods35.

Posten in Amersfoort
Wat wel meer jonge meisjes doen: posten bij het huis van hun geliefde in de hoop een glimp van hem op te vangen. Ze fietst daarvoor niet naar Hilversum, maar naar Amersfoort. Bij mijn weten heeft ze er nooit aangebeld. Mijn vader woont dan nog bij zijn ouders thuis: op stand aan het Borneoplein, mijn moeder: eenvoudig in een Utrechtse volksbuurt.

Mijn halfbroers
Ik weet niet of mijn vader zijn latere vrouw dan al kent, de moeder van mijn halfzussen; waarschijnlijk speelt dat in dezelfde tijd. In 1957 trouwt hij met haar en in 1958 wordt mijn oudste halbroer geboren. Vanaf dan zoekt hij mijn moeder weer op: plotseling staat hij dan voor haar ouderlijk huis. Ze is dan negentien. Het huwelijk met zijn katholieke vrouw zint mijn vader blijkbaar niet. Toch dwingt niemand hem met haar te trouwen. Er komen nog twee zoons, voor mij twee halfbroers. Op het moment dat zijn vrouw op het punt van bevallen staat van de derde, maakt vader, mijn moeder zwanger. Ik ga er vanuit dat mijn moeder het erop heeft aangestuurd vanuit de gedachte: “Als ik een kind van hem krijg, gaat hij misschien wel van zijn vrouw weg”. Het lijkt erop dat mijn vader vooral bij mijn moeder opduikt als er weer een kind komt of net is gekomen, alsof hij troost zoekt of goede raad in het besef dat hij zich bij elk kind dat hij verwekt, dieper in zijn zelfgekozen noodlot heeft verstrikt. Ik heb hem er nooit naar gevraagd en ook niet waarom hij in het huwelijk is gestapt, waaraan hij al vanaf het begin twijfels moet hebben gehad. Hij maakt het zichzelf nog veel moeilijker door mij op stapel te zetten.

Buitenechtelijk kind
Moeder vertelt dat vader expliciet aan haar gevraagd heeft “of ze nog wel ongesteld was geworden”. Hij is ervaringsdeskundige met twee kinderen en de derde op komst. Hij beseft eerder dat ze zwanger is dan zij. Zeven maanden later, veel te vroeg, kom ik. Ik word vernoemd naar de vriend van mijn vader waar mijn moeder tijdelijk onderdak vindt: Arthur. Buitenechtelijk zwanger: de schande is te groot voor mijn familie, met name voor mijn opa. Moeder wordt na enkele maanden weer in genade aangenomen; ik ben er dan al: geboren in een Amsterdams nonnen-ziekenhuis. Het schijnt dat ze mijn moeder met gebroken vliezen half Amsterdam doorgereden hebben en ze in meerdere ziekenhuizen is geweigerd. Ze zou onverzekerd zijn geweest. Of het waar is weet ik niet; uiteindelijk worden mijn moeder en ik gered door de zusters. Het is een mooi verhaal: het lijkt op dat van Jozef en Maria die geen herberg kunnen vinden. Mijn vroeggeboorte levert me wel hersenschade op door een zuurstoftekort: ik loop raar en kijk mensen, scheef, want maar met één oog aan. Mijn moeder voelt zich levenslang schuldig en laat dat ook vaak weten, maar dat is waarschijnlijk om haar schuldgevoel deels aan mij over te doen.

Opnieuw zwanger
Ook na mijn geboorte, blijft mijn vader twijfelen en als hij zover is, heeft mijn moeder een ander. Een noodsprong met de buurman, die net zijn vrouw verloren en al twee kleine kinderen heeft. Deze buurman schrijft haar een brief in de trant van: “Als jij voor mijn kinderen zorgt, zorg ik voor jouw kind en gaan we samen verder”. Moeder laat zich klemzetten en zich nog voor het beoogde huwelijk opnieuw zwanger maken. Zonder dat ik er weet van heb, heb ik, driekwart jaar oud, drie halfzusjes, een stiefbroertje, een stiefzusje en een halfzusje op komst.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *