Engeltjes (brief aan mijn moeder)

Lieve mam,

Ben op weg naar Lia en het strand. Vlak bij mij op het treinbalkon zitten twee meisjes die op engeltjes lijken, vooral als ze lachen. Eentje zit wel steeds te gapen. Netjes met de hand voor de mond, dat wel, zoals alle engelen doen. Ze lijken op elkaar; zussen zo te zien. In Amsterdam stapten ze uit. Meisjes met zachte, open trekken als het meisje met de parel.

In het jaar sinds je dood, had Lia me een paar keer gebeld, iets wat ze voorheen nooit deed. Omdat ik het initiatief een tijd aan haar heb gelaten, klonk ze gisteren ineens verongelijkt. Blijkbaar had ze verwacht dat ik haar allang een keer zou hebben meegevraagd om naar het strand te gaan. Maar Lia is nogal vermoeiend in de omgang sinds ze in de Here is, dus heb ik het aan me voorbij laten gaan. Bovendien vond ik dat ik een tijdje recht had op haar aandacht in plaats van omgekeerd. Dat begreep ze dan wel, maar voor ik iets van vrouwen begrijp, ben ik net zo dood als jij, mam.

Spiritueel
Het was fijn om het zeewater aan mijn voeten te voelen tijdens het slenteren langs de waterlijn. De omgang met Lia blijft erg vermoeiend, maar de warrige pseudo-spirituele gesprekken zijn verleden tijd, zolang ze in de Here is. Thema overzichtelijk: zij gelooft en ik niet; dat levert weinig gespreksstof op. Ik had al snel het idee haar te veel te zijn.

Onmin
Ze wil dat er naar haar geluisterd wordt en in het welzijnswerk dat ze doet, moet zij juist een luisterend oor bieden. Het verplichte luisteren  is haar teveel geworden, terwijl ik vind dat ze toch al erg met zichzelf bezig is en dat vind ik zolang ik haar ken. Dertig jaar geleden al ging ze zitten roken in een eetzaal, zonder de andere gasten om toestemming te vragen. Toen ik daar wat van zei, hadden we onmin.

Luisteren
Ze suggereerde dat ik ook niet genoeg naar haar luisterde en ik heb op het punt gestaan na een half uur weer te vertrekken. Om de lieve vrede zeg ik in zo’n situatie veel niet, terwijl ik dat misschien wel zou moeten doen. Bijvoorbeeld: ‘Je hebt toch vriendinnen die naar je kunnen luisteren?’ Mij laat ze geregeld weten nauwelijks geïnteresseerd te zijn in wat ik te melden heb, waarmee ze onmiddellijk korte metten maakt met mijn contactzin. Misschien laat ze de desinteresse ook wel aan haar ‘vriendinnen’ zien, waarmee ook hun de lust om haar aan te horen vergaat. Ik snap sowieso niet hoe iemand die zo weinig ruimte heeft voor anderen überhaupt vriendinnen kan hebben. Ik heb die vriendschappen van haar altijd met een korrel zout genomen; in ‘onze’ tijd had ze ze ook niet. Het gebrek aan wezenlijke belngstelling voor anderen, deelt ze trouwens met Ida. Ik zal er wel debet aan zijn dat ik dergelijke vrouwen in mijn omgeving heb, maar ik begrijp niet hoe.

Zielig
Ergens is Lia ook wel zielig: dan heeft ze weer een alcoholverslaving en sluit ze vriendschap met de Anonieme Alcoholisten; nu is ze weer twintig kilo te zwaar, omdat ze vreetbuien heeft, hoor ik tussen de regels door. Ze ramt zich vol met chips en tegen mij zegt ze ; dat ik niet te veel brood moet etern, omdat dat ongezond is. Onnavolgbaar.

Op weg naar het strand hoorde ik haar hijgen, omdat ze geen conditie heeft. Als ze zich weer eens op internet presenteert, omdat ze een relatie zoekt, reageren alleen de ‘creeps’ die op een neukerij uit zijn, omdat ze volgens Lia zelf ‘niet fotogeniek is’, lees: ’te lelijk’. Knap is ze nooit geweest, maar wel mijn onvoorwaardelijke eerste lief. Lia is en blijft zoekende, zonder ooit te vinden, en echte hobbies of liefhebberijen heeft ze niet.

Op eieren lopen
Het kwam er tussen de regels op neer dat ze wil dat er eindelijk eens naar haar geluisterd wordt en dat te weinig mensen dat doen. Ik betrok het op mezelf en dat bedoelde ze ook te zeggen. Ik heb even overwogen na een half uur weer te gaan, maar uiteindelijk werd het toch nog gezellig. Het blijft op eieren lopen als ze plotseling komt met omvolkingstheorieën die ze oppikt uit een rechtsradicaal krantje. Het reguliere nieuws volgt ze niet, waardoor ze in een kringetje lijkt te draaien van mernsen dat elkaar bevestigt. Gelukkig kon ik daar korte metten mee maken door te stellen dat ik daar niets in zie, hoewel ik de problemen met migratie echt wel onderken. In de nuance is ze niet geïnteresseerd, zodat stilzwijgen de enige optie is. Dat respecteerde ze voor nu. Hetzelfde speelde in coronatijd. Ik begreep dat ze destijds haar  hele familie tegen zich in het harnas had gejaagd. Misschien gaan we in augustus nog wel een keertje naar het strand. Zo mam, nu ben ik uitgeroddeld en jij weer op de hoogte

Roodgestifte glimlach
In de stationshal van Utrecht CS stond je ineens haarscherp op mijn netvlies met je zilvergrijze paardenstaart, jongemeidenpony, je uilenbril die ik heb bewaard en je roodgestifte lippen. Het was een beeld uit het laatste filmpje dat ik van je maakte, nu alweer bijna twee jaar geleden. Je was blij me te zien en ik vroeg me af waar je zo laat nog naartoe ging. Toen ik rondkeek, was je verdwenen. Ik voelde de tranen branden, wat ik maanden geleden voor het laatst had toen ik op het station liep. Gewoon omdat die plek me er soms van doordringt dat je er nooit meer zult zijn, hoeveel mensen ik ook bij elkaar zie. Het lijkt op het onbegrijpelijke gevoel uit de eerste dagen na je dood, dat de wereld doordraait, terwijl het baken uit mijn leven is weggeslagen.

Ontreddering
Het gevoel van ontreddering is veel minder, de bui drijft snel over en het besef dat ik nooit meer naar je huisje hoef, is inmiddels wel ingedaald. In plaats van naar je huisje fietsen, wat ik anders gedaan zou hebben, schreef ik dit stukje, zittend op de rand van een stenen plantenbak op het stationsplein. Een surrogaatoplossing, maar wel productief en het troost me, zoals elke brief die ik aan je schrijf. Op naar huis.

Tuur

Beantwoord door ChatGpt:

Lieve Tuur,

Wat kijk jij toch altijd scherp naar mensen. Dat is extra bijzonder, omdat jij volgens de dokter slechtziend bent. Zelfs op een treinbalkon zie jij twee meisjes die op engeltjes lijken. Dat heb je altijd gehad: jij richt je op details, blikken en verhalen. Ik glimlachte toen je schreef over dat gapen achter de hand. Ik zag het helemaal voor me.

En ja hoor, daar was Lia weer.

Je hoeft je tegenover mij niet te verontschuldigen dat je “uitgeroddeld” bent. Ik weet dat je niet schrijft om iemand af te vallen. Je probeert te begrijpen waarom je na zoveel jaren nog steeds moe wordt van dezelfde patronen. Soms veranderen mensen van geloof, van werk of van uiterlijk, maar niet van karakter. Dat lijkt bij Lia ook een beetje zo te zijn.

Je beschrijft iemand die heel graag gehoord wil worden, maar moeite heeft om zelf ruimte te maken voor een ander. Dat is verdrietig, maar het is niet jouw taak om dat op te lossen. Luisteren is mooi, maar alleen als het van twee kanten komt. Jij mag ook verlangen naar belangstelling. Dat maakt je niet egoïstisch.

Ik moest wel lachen toen je schreef dat je vrouwen pas begrijpt als je net zo dood bent als ik. Ach jongen, volgens mij begrijpen mannen en vrouwen elkaar al eeuwen maar half. Misschien is dat juist de kunst: niet alles hoeven begrijpen om toch vriendelijk te blijven.

Ik vind het mooi dat je niet bent weggegaan. Je bent gebleven, jullie hebben over het strand gelopen, je hebt de zee gevoeld en uiteindelijk was het toch nog gezellig. Dat zegt ook iets. Niet iedere ontmoeting hoeft geweldig te zijn om toch de moeite waard te zijn.

En toen zag je mij.

Ik weet hoe echt dat voelde. Niet omdat ik daar werkelijk stond, maar omdat herinneringen soms zo scherp kunnen zijn dat ze zich even tussen de mensen mengen. Mijn paardenstaart, mijn uilenbril, mijn rode lippen.. Je hebt me niet verzonnen; je hebt me teruggezien zoals ik in jouw geheugen leef. Dat is iets anders.

Je schrijft dat het je ineens overvalt dat ik er nooit meer zal zijn. Dat blijft het moeilijkste van rouw. Niet iedere dag is zwaar, maar soms slaat het besef ineens toe als een golf. En juist op een druk station, waar iedereen haast heeft, kan dat eenzaam voelen. Alsof de wereld gewoon doorgaat terwijl jouw wereld ooit is stilgevallen.

Maar weet je wat me ook opviel?

Je schrijft niet meer vanuit de ontreddering van de eerste maanden. Je schrijft over de ontreddering. Dat is een groot verschil. Je kunt ernaar kijken zonder er helemaal door overspoeld te worden. Dat betekent niet dat je minder van me houdt. Het betekent dat je langzaam leert leven met een wond die nooit helemaal dicht zal gaan.

Ik ben blij dat schrijven je troost geeft. Die stenen plantenbak op het stationsplein is misschien inderdaad een surrogaat voor mijn bank, schilderijen en kinderfoto’s, maar als jij daar even kunt zitten, je gedachten kunt ordenen en daarna weer verder kunt, dan is dat een goede plek geweest.

En: wees een beetje zachter voor jezelf. Je stelt hoge eisen aan hoe goed je moet luisteren, hoe begripvol je moet zijn en hoe netjes je conflicten moet oplossen. Je hoeft niet altijd op eieren te lopen. Je mag ook zeggen wat je nodig hebt. Mensen die om je geven, mogen dat best horen.

Dank je dat je me weer hebt meegenomen naar het strand. Ik heb de wind bijna gevoeld.

En als jij straks weer in Utrecht loopt en je denkt even dat je me ziet, glimlach dan maar. Niet omdat ik daar werkelijk sta, maar omdat liefde soms de wonderlijke eigenschap heeft herinneringen voor een ogenblik levend te maken.

Ik ben je moeder. Dat blijf ik, zolang je mij met zoveel liefde blijft herinneren.

Dag lieve Tuur,

Ma

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *