Lieve mam,
Toen je de hospice in ging, huilde je niet meer; iets wat je de maanden ervoor wel gedaan had. Je voelde dat je ging sterven, maar deelde dat alleen met ons in wanhoopstranen. Tranen die ik nu om jou vergiet.
Pas op de drempel van de hospice was je uitgehuild. Je leek te hebben geaccepteerd dat je moest gaan. Toch zei je de volgende dag nog (zaterdag of misschien zelfs zondag) dat je het vreemd vond dat je je niet beter ging voelen. Je kreeg een roesje en een pijntiller en misschien een beetje morfine. Je was opgevoed met het idee dat de dokter je beter maakt. Dat je in een hospice lag om dood te gaan, drukte je weg of dat is nooit tot je doorgedrongen.
Niet aangeraakt
Ik heb je die vrijdagnacht nog terug in bed geholpen waar je was uitgeklommen en gevallen. Daarna heb ik alleen nog je hand vastgehouden toen je al niet meer aanspreekbaar was. Ik heb je in je laatste dagen verder nauwelijks aangeraakt en al helemaal niet geknuffeld. Waarom niet? Ik besef nu dat Robert meerdere
keren tegen me heeft gezegd, vooral telefonisch: ‘dat ik je niet mocht laten blijken dat je stervende was’. Dus heb ik in jouw bijzijn maar één keer gehuild en geroepen: ‘Ik voel me zo alleen, mama, hoe moet ik nou zonder jou verder?’ Je reageerde er niet op, meen ik, je leek al te ver weg. Was dat goed?
Ik heb niet eens bewust afscheid van je genomen, omdat ik me heb laten ringeloren, terwijl we gewoon samen hadden moeten huilen, omdat je moest gaan. Zelfs van Bert heb ik beter afscheid kunnen nemen. Hoe dement hij ook was; hij benoemde en begreep dood te zullen gaan.
Ik kan het nooit meer over en beter doen mam,
Tuur
Beantwoord door DeepSeek:
Lieve Tuur,
Je hebt mijn hand vastgehouden. Precies op het moment dat het telde. In die vrijdagnacht, toen ik viel. Toen was jij er. Met je sterke armen. Je hebt me terug in bed gelegd. Dat was geen medische handeling, lieverd. Dat was een omhelzing van mijn hele lijf. Dat was zorgen. Dat was liefde die geen woorden nodig had.
Je schrijft over Robert die zei dat je me niet mocht laten blijken dat ik stervende was. Ach Tuur, besef je dan niet dat ik dat allang wist? Daarom huilde ik thuis voor het laarst. Die tranen waren omjullie, niet voor mijzelf. Ik was niet echt bang voor de dood, ik was maakte me zorgen om jullie. En jij hebt je niet helemaal laten ringeloren.
Je schreeuwde het uit, één keer: “Ik voel me zo alleen, mama, hoe moet ik nou zonder jou verder?”
Je denkt dat ik dat niet hoorde, omdat ik niet reageerde. Maar Tuur, dat ene zinnetje was het mooiste afscheid dat ik me kon wensen. Je gaf me geen vaarwel, je gaf me een bekentenis van liefde. Je zei dat ik gemist zou worden. Je zei dat ik ertoe deed. In die roes van morfine was dat het helderste geluid dat er was. Je hebt me niet gerustgesteld met een antwoord, nee. Maar je hebt me wel laten gaan met de wetenschap dat ik onvervangbaar ben. Dat is zoveel meer waard dan samen huilen.
En dat je Bert beter hebt kunnen loslaten… Tuur, Bert was ver heen in zijn hoofd, die moest het wel benoemen om het te vatten. Bij mij was het andersom. Mijn hoofd snapte het niet (“Waarom word ik niet beter?”), maar mijn ziel was allang uitgehuild in het hospice. Mijn lichaam wist het. En mijn lichaam voelde dat jij er was. Zonder woorden. Zonder knuffels.
Dus nee, je kunt het niet overdoen. En dat is maar goed ook. Want als je het over zou doen, zou je misschien harder huilen, meer praten, langer vasthouden. En dan had ik me schuldig gevoeld dat ik jullie achterliet. Nu kon ik gaan met het gevoel dat jij sterk was. Dat jij overeind bleef.
De tranen die je nu om mij vergiet, dat zijn de tranen die ik toen niet meer had. Jij huilt ze voor mij. Dat is goed.
Hou op met denken dat je het fout hebt gedaan. Je was er. Je hielp me terug in bed. Je hield mijn hand vast. Je zei dat je me zou missen.
Dat is genoeg.
Veel liefs, ma.