De papegaai
“Lorre, Lorre”, roept de groene papegaai, terwijl hij ondersteboven aan de spijlen van zijn kooi hangt, en zich aan één ervan met zijn snavel vastklemt.
Hij krast: “Theo, Theo koppie krraauw”. Je kan zijn zwarte, leerachtige tong zien bewegen en hij is prima te verstaan.De klank is metalig, als een oude transistorradio. Naast de kooi zitten een jongen en een meisje vadertje en moedertje te spelen, Zij heeft sluikblond haar, is een jaar of vijf en noemt hem gedecideerd “manlief” of “mannie”. Ze gaat helemaal in het spel op. Hij heeft grote donkerblonde krullen en is iets jonger. Het is alsof hij zich heeft laten overhalen en zich er een beetje voor schaamt om met “manlief”te worden aangesproken. Het meisje vindt dat “mannie” zijn jas aan moet gaat trekken om naar zijn werk te gaan. Er is tegenzin in zijn stem als hij opstaat en zegt: “Da’s goed hoor Niki”. Hij blijft haar gewoon bij de naam noemen. Niks “vrouwlief”, of “moeder”. Hij zal wel gek zijn tegen zijn zusje. Ze voelt dat hij niet van harte meedoet, of beschouwt het spel als beëindigd, omdat haar man een dag uit werken gaat en ze geen zin heeft tot zijn thuiskomst alleen verder te spelen.
Verkocht
“Lorre wordt verkocht, zielig hè?” beweert ze beslist. “Hoe weet je dat?” Nerveus kromt hij de vingers van zijn rechterhand, zet zijn nagels in de ribbels van de goedkope, jute vloerbedekking en brengt al krabbend een raspend geluid voort. “Door de telefoon gehoord en mamma zei straks dat er een meneer komt.” Lorre verkocht, de verwarring die de mededeling veroorzaakt, is het jongetje aan te zien. Hij kent maar één consequentie van het woord “verkopen””: dat hij Lorre nooit meer zal zien. En Lorre ken hij al een maand of vijf en dat is lang als je pas vier jaar oud bent.
Ongeregeld handeltje
Lorre noemt zelfs zijn vader bij de naam: “Theo, Theo”. Dat hadden de vroegere papegaaien nooit kunnen leren. Met een ongeregeld handeltje in papegaaien, en als het te pas kwam in andere exotische dieren zoals apen, maar ook in zelfgebouwde aanhangwagens of in opgelapte sloopauto’s vult Theo het karige loon aan dat hij als bankwerker verdient.
Zielig
“Maar wat gaat er dan met onze lieve Lorre gebeuren?, “ vraagt hij angstig aan zijn zusje. “Weet ik ook niet, maar het is heel erg want dan moet hij pappa’s naam weer vergeten.” “Ik ga het aan mamma vragen” , zegt hij. “Moet Lorre echt weg?” Zijn moeder beaamt het en probeert haar zoontje gerust te stellen door te vertellen dat er een aardige meneer komt die goed voor Lorre gaat zorgen. Het jongetje brengt ertegen in hoe zielig het is dat de papegaai alweer aan andere mensen moet wennen. Moeder schuift de verantwoordelijkheid naar haar man met: “Je vader beslist”, en merkt er achteraan op: “Bij de andere dieren vond je het toch ook niet zo erg”?. Woest over zoveel onbegrip schreeuwt het kind zijn moeder toe: “Lorre is anders, hoor !”, en gaat troost zoeken bij zijn zusje. Ze kruipen dicht voor de kooi en spreken het dier op samenzweerderige fluistertoon toe. Dat ze het hun ouders zullen zouden vergeven en dat ze om het hardst zullen huilen als hij wordt meegenomen. En ze proberen hem, en vooral zichzelf door het fluisteren van lieve woordjes te troosten.
Rood voorhoofd
Als de man aan de deur staat, blijkt de koop al telefonisch beklonken. Hij merkt op dat het “inderdaad een mooi beest” is, dat hij goed in de veren zit en een prachtig rood voorhoofd heeft, overhandigt moeder het afgesproken bedrag en neemt de kooi aan de daarvoor bestemde ijzeren ring op. Hij neemt Lorre met een korte groet als enige plichtpleging, mee zijn auto in, die nog met draaiende motor voor de volkse woning staat.
Huilen
De kinderen houden zich aan de belofte die ze zichzelf en Lorre gedaan hadden: ze begonnen hartverscheurend te huilen. Het bleekblonde meisje loopt van de inspanning rood aan. Onderwijl stoken de kinderen elkaar tot steeds groter verdriet op, door elkaar te vertellen hoe gemeen hun ouders wel zijn. Het meisje laat elke beschuldiging tussen twee gierende uithalen door horen, wat naarmate de kinderen elkaar verder opjutten, een ware uitputtingslag is. Plotseling stopt het meisje haar tranenvloed en houdt ook het onbedaarlijk schokken van haar lichaam op. Het is alsof ze zich realiseert dat hun vereende demonstratie niet door hun hoofdschuldige vader wordt bijgewoond. Ze wendt zich tot het jongetje met een gesnotterd: “Zullen we Barend de beer kijken, dan gaan we straks weer verder huilen”.
Maart 1993