Het ongeluk

Hij hoort de sirene weer aankomen. Dat moet al de tweede ziekenwagen zijn deze week, diept hij uit zijn geheugen op. En hij komt geheid voor één van zijn buren. Die studenten uit de flat aan de overkant zijn allemaal jong en dito gezond. Misschien dat daar eens per jaar een sirene op afgestuurd wordt voor een acute blinde-darm of een alcoholvergiftiging. Daar komt vast vaker een politiepatrouille langs om een lawaaierig huisfeest te stoppen. Van burengerucht heb je hier tenminste weinig last, in een hele flat vol 55-plussers, zeg maar gerust bejaarde echtparen. Behalve dan af en toe en onverklaarbaar gebonk op de vloer of tegen de verwarming, zoals daarnet ook weer. Misschien dat er naast, boven of onder hem, weer eens een oma ongelukkig ten val is gekomen tijdens het ramen zemen. De meeste ongelukken gebeuren immers in huis, had hij wel eens ergens gelezen en ouderdom komt met gebreken, zodat al zijn buren wel flinke extra risico’s moeten lopen bij een poetsbeurt van een bovenlicht of het webvrij maken van het plafond. Vandaar misschien ook wel het bezoek van de ziekenauto.

Hij toomt zijn fantasie liever maar wat intomen, want hijzelf is weliswaar pas zestig en nog recht van lijf en leden, maar je kan niet weten wanneer onze lieve heer zich met je gaat bemoeien. Het gestommel kan wel veroorzaakt zijn door een kleinkind dat wat te wild aan het spelen is geweest. Lawaaiige kleinkinderen heeft hij niet. Hij leeft samen met zijn lapjeskat, die nogal eenkennig is geworden van zijn eenzijdig, maar vertrouwde gezelschap. Als ze rust zoekt, springt ze behendig op het boekenrek. Zijn boeken staan netjes in het gelid naar voren op de brede planken, zodat erachter nog ruimte genoeg over is om poes’ ranke lichaam te verbergen. Als hij weer eens getuige is van de geruisloze acrobatiek waarmee ze de veilige kruipruimte bereikt, realiseert hij zich soms bewonderend dat haar hoge leeftijd nog geen sleet lijkt te hebben gebracht op haar sprongkracht en coördinatie.

Vanaf haar hoge post observeert ze elke bezoeker nauwlettend, terwijl ze zelf vrijwel onzichtbaar blijft en schier onaantastbaar is. Van haar kalme stilte wordt hij zich juistbewust nu zijn buren zoveel overlast veroorzaken.

Smartlappen

De ellende van Nederlandstalige smartlappen schalt door de vloer. 15 jaar verblijf in Berlijn hebben hem gehard tegen schlagers en de lucht van vette worst, maar de zangeres zonder naam went nooit. Als het nu opera zou zijn, of balletmuziek, daar heeft hij als theaterwetenschapper vrede mee.

Hij besluit nog maar eens een keer waarschuwend tegen de verwarmingsbuizen te kloppen, misschien dat het dan zachter gaat. Hij neemt zijn pijp van tafel, klopt hem uit in de asbak en neemt het mondstuk tussen duim en wijsvinger. De kop rust in zijn handpalm. Zo kan zijn rookgerei ten minste niet snel breken als hij ermee tegen de pijpen timmert. Hij is nu al zo dikwijls naar boven gelopen om te vragen of dat mens haar muziek wat zachter kan zetten dat het tijd wordt voor een andere strategie. Zijn eerste kloppartij, een minuut of vijf geleden heeft nog geen resultaat gehad. Misschien begrijpt ze niet dat het getik van hem komt, of is ze in een korte tijd zo doof geworden dat ze het helemaal niet hoort. Haar doofheid moest dan wel behoorlijk snel verergerd zijn, want de eerste weken dat hij hier woonde, heeft hij

geen last van haar gehad. Pas een maand geleden had hij voor het eerst de trap naar boven genomen om haar te vragen rekening met hem te houden. Hij heeft haar geduldig uitgelegd dat hij in de woonkamer pleegt te mediditeren en dat haar muziek hem uit de concentratie haalt. Ze had begrijpend geknikt en zich verontschuldigd, maar intussen is hij alweer vijf keer naar boven geweest om steeds een aangepaste versie van zijn eerste verhaal voor te

dragen. Hij heeft steeds iets meer losgelaten over zijn bezigheden en arbeidsverleden in de hoop dat zijn activiteit haar zou aanzetten rekening met hem te houden. Dat hij een schrijver is op die manier reflecteert op kunsten en wetenschappen bezighoudt, zou haar toch moeten bewegen op kousevoeten door het huis te gaan. Dat het boekje waaraan hij werkt slechts

in een oplage van 500 stuks zal worden gedrukt en alleen kan worden uitgegeven doordat een groep vrijwilligers er plezier in heeft om het geheel ouderwets te loodzetten, gaat haar niet aan.

Rollator met stropdas
Als publicist meent hij meer recht te hebben op rust dan welk van zijn buren ook. Die mensen zijn allemaal al lang gepensioneerd en hij vermoedde dat het enige vertier voor de meesten van hen bestaat uit een verplichte ’s zondagse visite van kinderen en kleinkinderen en het uitlaten van de hond. Dat hij zelf, sinds zijn terugkeer naar Nederland een werkloosheidsuitkering geniet, omdat hij te jong is voor AOW, bespreekt hij met niemand. Nou ja, hooguit met die jongen van de overkant, die half zo oud is als hij en toch al over de dertig. Gelukkig dat dat soort jongelui hem nog niet als oud zien, maar als levenswijs. Dat leeftijd relatief is, ziet hij elke dag om zich heen.

Sommige van zijn buren lopen krom en moeizaam en de mannen die hij tegenkomt vaak in driedelig grijs met een stropdas. Geen combi met een rollator. Alsof moeder de vrouw ze verboden heeft zelfs maar achter de eigen voordeur een gemakkelijke trui aan te hebben.

Doortastend optreden
De gedachte aan zoveel menselijk leed doet hem besluiten dat mens van boven de stuipen op het lijf te jagen. Hij draait zijn pijp om, neemt de kop tussen duim en wijsvinger om zo trefzekerder te kunnen uithalen. Schuift een stoel dichter naar de radiator en gaat zitten. Test met drie schijnbewegingen of hij er optimaal voorzit en de uitgaande buis goed kan raken. Waarom hij de linkerbuis kiest wist hij niet. Hij slaat drie keer hard en fel toe en luistert opgelucht over zijn doortastend optreden of het stil wil worden.

Attack
Poes reageert in elk geval bevredigend. Ze verschuilt zich prompt in de boekenkast. Van zijn buren bemerkt hij echter geen reactie, maar hij weet ook niet precies welk geluidseffect zijn gehamer boven heeft gegeven, maar dat er geen acht op wordt geslagen verwondert hem dit keer niet. Misschien biedt de verwachte komst van de ziekenbroeders zijn mede-flatbewoners een langverwacht verzetje, of bespreekt men inmiddels al op de galerij met elkaar wie

er deze week door een attack kan zijn getroffen. Hij durft de galerij niet op te gaan, bang als hij is om sociale praatjes te moeten verkopen tegen mensen die hij als niet van zijn generatie beschouwt. Niet dat ze veel contact met hem zoeken, met een zestiger zonder vrouw en evenmin weduwnaar, die meestal in een spijkerbroek en halfopen bloes loopt, misschien denken ze wel dat hij homo is. Ze vinden hem in elk geval een zonderling Hij durft ook de

tussendeur naar de gang niet te openen bang om gezien te worden en zo alsnog bij allerlei kletspraatjes te worden betrokken. Het maakt ook niet uit.

Tenzij het bij hem op de verdieping gebeurt, zal hij vanaf de galerij toch niet kunnen zien wie er wordt afgevoerd. Hij heeft vanaf daar uitkijk op de prachtige binnentuin, die vrijwel geheel door de stijlvolle, witte flat wordt omsloten en waarvan zelden iemand gebruik maakt. Aan de voorkant ziet hij de spoorbaan waarvan het meeste lawaai wordt weggenomen door het

dubbele glas in zijn balkondeuren. Een riante seniorenwoning waarvoor een lange wachtlijst bestaat, terwijl hij er bij de oplevering nog gemakkelijk is aangekomen, omdat de spoorlijn er pal voorlangs loopt.

Ziekenauto
Om de hoek, uit het zicht moet de ziekenauto staan. Hij heeft er genoeg aan om zich de bedrijvigheid voor te stellen, waarbij de paniek op de trappen en in het heldere portiek met de brievenbussen ongetwijfeld wordt veroorzaakt door enkele van zijn buren, die als rechtgeaarde ramptoeristen ineens veel sneller ter been zijn dan hun leeftijd doet  vermoeden.

Hij schrikt op uit zijn gedachten, omdat de bel gaat. Voor zijn neus staat zijn hardleerse of hardhorende bovenbuurvrouw. Juist wil hij haar gaan onderhouden over te harde muziek, als achter haar twee ambulancebroeders opduiken met tussen zich in een brancard. ‘Alles in orde’, klinkt ze zo verbaasd, alsof ze eerder een lijk in de deuropening had verwacht. ‘Dat zou ik wel denken’, repliceert hij, kortaf, geschoffeerd als hij zich voelt over zoveel bemoeizucht. ‘Ik dacht dat u iets overkomen was. Dat kan toch gebeuren op onze leeftijd’, verklaart ze.

Plotseling en ongewild blijkt hij een van hen, maakt hij uit haar woorden op. Haar bezorgdheid stemt hem milder. ‘We hebben met de naaste buren een afspraak om elkaar te waarschuwen als er iets is’, gaat ze bemoedigd verder, als ze zag hoe zijn gezicht dat verstrakt heeft gestaan, zich ontspant.

Misverstand
‘U had toch geklopt, op de verwarming’, verduidelijkt ze. ‘Dat is een misverstand’, hoort hij zichzelf aarzelend liegen; wat heeft hij immers te maken met een vage afspraak over onderlinge bijstand, in te roepen met klopsignalen. Alleen maar, omdat de helf van de ouwetjes niet met een mobiel overweg kan. Een afspraak die hij zelf niet heeft gemaakt: hij is aan niemand verantwoording schuldig. Hij wordt blijkbaar geacht zich stilzwijgend aan een afspraak te houden nadat er mededeling van is gedaan in een sjofel bewonersblaadje dat onder nieuwe bewoners wordt verspreid. Hij herinnert zich wel eens zoiets in zijn brievenbus te hebben gevonden. Mooi vergeten dan. ‘Ooch, nee’ brengt ze uit, vermoedelijk als duiding dat hij in het vervolg kan doodvallen en als impliciete verontschuldiging aan het ambulance-personeel dat voor niets is opgedraafd. Ze draait zich om en beent kordaat weg van hem en de broeders. Hij besluit het mens haar te harde muziek te gunnen, vandaag.