Op de vlucht voor Hollands groeizaam najaarsweer in mei naar Saint Tropez in Duitsland
Het is half mei en na de vierde koude winter op rij volgt een grijs en verregend voorjaar. Kijk ik op een zondagavond Tatort op de ARD, krijg ik bij toeval de weersverwachting voor de Oostzeekust mee op het moment dat ik omschakel van het NOS-journaal naar Duitsland 1. Prachtig weer, 25 graden en zon tussen Lübeck en de Poolse grens. Ten westen van Hamburg: Noordzee-invloed en regendagen in het verschiet: 75 kilometer oostelijk: stralend weer. Ik ga. Langs de Oostzee fietsen wil ik toch al lang.
Fietsreservering
Ik kan niet zomaar op de trein stappen, de dag voor mijn vertrek, blijk ik een fietsreservering te moeten regelen voor het traject Münster-Hamburg. Het wordt een route met drie overstaps terwijl er over Ossnabrück ook een vrijwel rechtstreekse verbinding vanuit Utrecht is. Alle fietsplekken zouden bezet zijn en in de Duitse IC begrijp ik waarom: Duitsers eisen koste wat kost hun eigen plek op, ook in de trein. Fietsen worden op nummer in de trein in rekken gezet of opgehangen, zodat ze elkaar niet raken, maar elke fiets wel drie keer zoveel ruimte nodig heeft als in een Nederlands fietscompartiment. “Und mann steht auf seinen eigenen Platz”! Vandaar de kuilen aan het Scheveningse strand en de gezinsvuurtjes met oud en nieuw, waar je als Nederlander wordt weggekeken. Er was helemaal geen reden geweest voor een omweg, concludeer ik en besluit voor de terugweg alleen een poging te doen voor Hamburg-Ossnabrück te reserveren, maar de fiets hoe dan ook de trein in te vechten.
Fietstas versus rugzak
Al op de heenweg breekt één van mijn fietstassen van zijn ophanghaken: Aldi, echt waar voor je geld. De rugzak die er in staat, sjor ik vast met de extra spin die ik bij me heb. Zo’n rugzak heeft een veel lager zwaartepunt dan de fietstas en blijkt stabieler te fietsen. Bovendien kun je ze prima over elkaar op je rug hangen als je de fiets een trein in of een stationstrap moet optillen. Dat laatste komt in Duitsland veel voor, want op de meeste stations zijn geen liften en een achteromgang via het spoor is er nooit. Het is mij een raadsel hoe een gehandicapte de voorbeeldig aangepaste toiletten in de trein moet bereiken. Ze kunnen alleen in de “Hauptbahnhöfe” de perrons op. Het is dat Duitsers hulpvaardig zijn.
Gelovig onder dak
Vanaf Lübeck schijnt de zon volop en dat blijft twee dagen zo, daarna wordt het egaal grijs, maar wel aangenaam, warm fietsweer. Ik vind mijn eerste onderdak in Lübeck-Schlutup bij een ouder echtpaar dat een appartementje heeft, waar vroeger de kinderen sliepen. Hoewel ik een lijst heb uitgeprint van de pensions op mijn geplande route langs de kust richting Poolse grens, dwars door een reusachtig merengebied, vind ik deze overnachting gewoon door te vragen. Ik zou hen via Internet nooit gevonden hebben, omdat ze het appartement alleen verhuren aan vrienden op doorreis en geloofsgenoten. Mijn gastheer en gastvrouw blijken oprecht gelovige mensen en ik word diverse malen uitgenodigd de Pinksterdienst bij te wonen. Waar ik als agnost meestal weinig moet hebben van godsdienstonderricht, kan ik deze mensen zonder oordeel of vooroordeel moeiteloos respecteren. Ondanks bedenkingen van de vrouw des huizes: ik had smeerhanden van een afgelopen ketting, een sjofel fietskloffie aan, liep met één half dicht ontstoken oog en loop vanaf jongs afaan een beetje afwijkend, word ik zonder omhaal aanvaard door Gerhard. Een dag later vertelt hij me dat zijn vrouw er serieus op tegen was geweest om me onderdak te geven, maar dat hij in verband met mijn vreemde loopje alleen dacht dat ik er “eentje op had”. Aan dat misverstand ben ik al sinds mijn puberteit gewend.
Ik stuit op een kerkdienst die net uitaat en vraag eenvoudig naar iemand een betaalbare overnachting wist. 35 Euro voor een ruim tweekamerappartement, ouderwets ingericht, maar van alle gemakken voorzien. Goede bedden en zelfs een afwasmachine. En Gerhard heeft me als ex-brandweernan en “Rettungssanitäter” ook nog met een zalfje van mijn oogontsteking afgeholpen.
Geen fietspaden
In plaats van de volgende dag verder te fietsen, ben ik er drie dagen gebleven. Ik heb een hekel aan fietsen met bagage en het aantal goede fietspaden in dit deel van toeristisch Duitsland valt me tegen. Ik loop niet alleen typisch, maar heb aan mijn vroeggeboorte ook nog een evenwichtsstoornis overgehouden. Langs een B-weg fietsen op de witte markeerstreep waar het asfalt is afgebladderd, valt dan niet mee, zeker niet met bagage achterop. Auto’s komen met 100 km per uur langs en één onverdachte zwieper mijnerzijds, en ik zit ondanks, of misschien wel dankzij helm, de rest van mijn leven in een rolstoel. Ik ken mijn beperkingen en omdat een alternatieve route naar het stadje ontbreekt, is mijn beoogd volgende reisdoel (Dassow) onbereikbaar. Hoewel het er op de kaart en Google maps zo groen uitziet, is 10 kilometer B-weg voor mij een te groot risico.
Ossi’s
Tussen Schlutup en het volgende dorpje Selmsdorf ligt de grens met de voormalige DDR. Selmsdorf kun je per fiets alleen maar bereiken dwars door een “Gewerbegebiet” heen, iets dat ik vreemd vind Maar waar nu bedrijfspanden staan, was vroeger “Sperrgebiet”, compleet met hekken, prikkeldraad en Vopo”s. Sinds mijn bezoek aan Berlijn als de muur er nog staat, kom ik weer eens in aanraking met, ditmaal voormalige, Ossi’s. Alle mensen die ik spreek, vinden dat “die Wiedervereiniging” goede en slechte kanten heeft: de materiële vrijheid wordt op prijs gesteld, maar de bestaansonzekerheid, openlijke werkloosheid en grote inkomensverschillen worden afgekeurd. Eén van mijn gesprekspartners voelt zich nog steeds “Ausländer im eigenen Land”.
Schönberg
Omdat ik in Schlutup blijf hangen om van de zon en de omgeving te genieten, heb ik de tijd een alternatieve route te zoeken. Het dorpje ten zuidoosten van Lübeck heeft een mooi jachthaventje en een paar restaurants langs de weg uit Lübeck. Op de tweede dag van mijn verblijf blijkt dat ik via het dorp Teschow het stadje Schönberg binnendoor kan bereiken. En dat heeft een station en een treinverbinding, helemaal naar Stettin dat tegenwoordig net over de grens in Polen ligt. Ideaal als ik bij de volgende aanval van mooi weer de Poolse grens alsnog wil bereiken, volgens mijn oorspronkelijke plan. Een paar uur fietsen, rondkijken, stukje treinen, overnachting zoeken: een haalbaar scenario. Het grootste deel van de alternatieve route naar Schönberg gaat over zandpad dat als fietspad wordt aangeduid. Hoewel het mooi weer is, regent het ‘s-nachts flink en ik schat in dat na drie regendagen, het “fietspad” alleen nog per mountainbike begaanbaar is. Je ziet in Duitsland ook zelden de hybrides die in Nederland vroeger “sportfiets” genoemd werden. Ook anders dan in Nederland is dat je niet op elke hoek een fietsenmaker vindt. Ik heb dan ook altijd een extra binnenband mee.
verkeersdoden
In tegenstelling tot het Duitse waddengebied (Ostfriesland) blijkt de Oostzeestreek niet vlak, maar wel op het grote voorblad befietsbaar. Het aantal fietspaden rond Lübeck valt me tegen, maar een Nederlander die ik ontmoet in mijn tweede pleisterplaats, verzekert me dat dat verder naar het oosten beter wordt. Mijn treinreis gaat vanaf Schönberg een kilometer of twintig verder naar Grevesmühlen en vandaar op de fiets richting kust door het dorpje “Hohenkirchen”, waarvan elk Bundesland waarschijnlijk één of meerdere uitvoeringen heeft. Schuilend onder een carport langs de hoofdweg tijdens een enorme hoosbui, zie ik de auto’s met onverminderde vaart langsdrijven op de heuvelafwaartse watervloed, en verwonder me dat er in het Duitse verkeer niet meer dan 1/3 meer verkeersdoden vallen dan in Nederland, gemeten naar bevolkingsomvang. Nauwelijks snelheidsbeperkingen, weinig fietspaden: de verklaring voor het kleine verschil zal liggen in de extra kwetsbaarheid van miljoenen Nederlandse fietsers in het stadsverkeer.
Windarme kust
Ook richting kust is er weer nauwelijks fietspad te bekennen. Gelukkig is de weg smaller, niet erg druk en wordt er redelijk langzaam gereden. Hoewel het gegrom van een naderende vrachtwagen in mijn rug, me steeds onrustig maakt, ga ik er vanuit dat ik de kust wel ongeschonden zal halen. Ten opzichte van de “Ostfriesische” kleinschaligheid staan hier enorme boerenbedrijven, die gesubsidieerd door de overheid allemaal “Raps” lijken te telen. Een eindeloos golvende zee van knalgele oliehoudende zaden, met maar af en toe een boerderij ertussen. Het geel is zo onbeschrijflijk geel dat het op mijn eerste bewolkte dag wel lijkt alsof de zon toch schijnt, maar dan vanaf de grond. Een ander verschil met Ostfriesland is dat hier de windmolens het landschapsbeeld niet bepalen. Het waait aan de Oostzee ook veel minder hard dan aan de Noordzeekant, zo lijkt het. Dat zou ook merkbaar moeten zijn in Denemarken: stormachtig aan de westkust, fris windje aan de oostkant. Aan deze kust ook geen zware duinen met helmgras en golfbrekende ribben, maar bos, al begrijp ik niet hoe de bomen en het gras zo dicht aan het strand kunnen overleven. De Oostzee is weliswaar net als de Middellandse Zee een enorme vijver zonder eb en vloed van betekenis, maar toch moet de bodem er behoorlijk ziltig zijn.
Brood met pindakaas
Ter hoogte van Hohenkirchen, begin ik te zoeken en te vragen naar mijn volgende overnachting. Vanwege de pinksterdrukte duurt het een poos voor ik succes heb. Op mijn eerste stop, blijkt er plaats, maar voor 80 Euro (Gramkow). Prachtige gebouwen, eigen restaurant en kindervriendelijk terrein, dat wel. Heb ik allemaal niet nodig. Ik heb nog bijna een heel volkorenbrood, een gezinspot pindakaas en water bij me. Wat is pindakaas handig onderweg. Geen boter nodig, met peper en knoflook geef je er extra smaak aan en je scheurt het brood gewoon af en haalt er een stuk doorheen. Volgende keer alleen en een plastic bakje doen, want op de thuisreis stuitert de nog halfvolle pot op het perron in Lübeck uit mijn rugzak. Het spul is zo vet dat de pot, gebarsten en wel één geheel blijft. Goed voor het “Restmüll”.
Beckerwitz
Een paar honderd meter verder moet ik schuilen voor de voorjaarsbui en weer een paar honderd meter en een paar keer vragen verder, stuit ik op Gaststätte “Zur Ostsee”. Ik eet er twee keer voor ongeveer 22 Euro: hoofdgerecht, inclusief bier. Niet bijzonder, vooral uit potjes en voorgekookt en voor mij te zout, maar goed eetbaar. “Zur Ostsee” in Beckerwitz is “Voll belegt”, maar de waardin weet nog wel iemand die plek heeft. Ik krijg er een nette kamer als deel van een appartement, maar omdat ik de enige gast ben, hoef ik keuken en sanitair niet te delen. 30 Euro, inclusief ontbijt. Ook hier is het bed goed. Ik geniet zo als altijd van de lage prijzen voor overnachten en uit-eten gaan in Duitsland. De enige zinnige verklaring die ik hiervoor kan geven, is dat Duitse hoteliers en resauranthouders zich niet blauw betalen aan hypotheeklasten en monopolistische bierproducenten. Rostocker en Lübzer Pils zijn goede regionale bieren die de doorsneesmaak van de mainstreambieren Hassenröder, Warsteiner, Krombacher en Bittburger ver overtreffen.
Zur Ostsee
Meine “Vermieterin”, de aanvankelijk vrij stugge Frau Henke, van wie ik mijn fiets beslist niet tegen de muur mag zetten waarvan de voegen net zijn gedaan, blijkt op drukke uren in “Zur Ostsee” te werken. In Zur Ostsee wordt me duidelijk gemaakt dat ik bij Henke “einen Rausschmiss” riskeer als ik me vertoon in de concurrerende “Bauernstube”. Ik doe het toch en ontmoet er een groep Duitse dertigers en veertigers die er een soort gezelligheidsvereniging op na houden en als herkenning allemaal een rode overall aan hebben. Wat kunnen die zuipen ! En ze beginnen er al vroeg op de dag mee, veel vroeger dan Nederlanders. Vrouwen of mannen, ze doen nauwelijks voor elkaar onder. Niks Spaatje Rood. Eigenlijk niet gezellig meer. En rookverbod of niet, in de meeste kroegen wordt gewoon gerookt. Maar ze nodigen me wel bij hen aan tafel. Een ervaring die mijn notie van “Jeder Deutsche der seinen eigenen Platz braucht” enigszins verzacht. Later bij hen op het terrasje voor hun appartement, blijf ik met een stel over. Als hij, groot, dik, in rode overall, als een stomdronken Teletubby naar bed wankelt, praat ik door met Kati, lerares Engels uit Magdeburg. Met haar bril, ziet ze er inderdaad als een echte schoolljuffrouw uit. En als ik de volgende dag nog even bij ze neerstrijk, zit ze huiswerk na te kijken. In de nacht buiten, luister vooral naar haar en dat maakt kennelijk indruk. Haar vriend lijkt de lolbroek van de groep en is voortdurend aan het woord. Kati bekent kort voordat ze gaat slapen: “Ich könnte dich lieben, trotz deiner Behinderung”. Ik vat het als een compliment op. Mijn visitekaartje heeft ze al.
Megalomaan bouwproject
In het aanpalende dorpje: Hohen Wieschendorf met 120 inwoners stuit ik vlak bij het strand op een groot en leegstaand appartementencomplex en vrijwel uitgestorven haventje. Er wordt vanaf de pier wel door een drietal mensen met werphengels op haring gevist en ik zie enkele wandelaars. Dat is alles. Sommige daken van de grote huizen waarom een bouwhek staat zijn al groen uitgeslagen door algen en mosvorming en ik concludeer dat de casco’s al lang leegstaan. Er ligt geen bouwmateriaal en alles zit potdicht. Thuis op internet zie ik dat een dergelijk casco nog 135.000 Euro moet kosten. Belachelijk veel gezien de kennelijke onverkoopbaarheid en de ligging in een uithoek van de voormalige DDR. Met de plannen van het appartementencomplex en de jachthaven was het de bedoeling een “Saint Tropez an der Ostsee” te stichten. Er is veel subsidiegeld heengegaan van het Bundesland Mecklenburg-Vorpommern waarvan drie miljoen zou zijn weggesluisd door de projectontwikkelaar, zo vertelt de waardin van “Zur Ostsee”. Hij zou er zelfs voor gezeten hebben. Ik denk dat je een dergelijk casco ook voor 75.000 euro moet kunnen krijgen met een beetje onderhandelen. In elk geval zou ik één van de appartementen die uit het zicht van het strand liggen makkelijk kunnen openbreken, mocht ik de volgende keer gratis willen overnachten. Via de strandparkeerplaats, de bossage en het weiland is de achterzijde van het complex probleemloos ongezien te bereiken.
Fiets naar huis
Als ook hier het weer omslaat, besluit ik naar huis te gaan, ditmaal niet via Münster, maar Ossnabrück, ook gedwongen door de enorme vertraging vanuit Hamburg en de lange wachttijden tussen de overstaps. Ik vrees de laatste verbinding Münster-Enschede, of de laatste trein Enschede-Utrecht te missen. Via Ossnabrück kom ik in elk geval de grens over en haal ik Amersfoort nog. De laatste 20 kilometer vanaf station Amersfoort naar huis ken ik op mijn duimpje. In Hamburg en Bremen is het een gevecht van in en uitklarende fietsers, niet in de laatste plaats doordat de treindeuren naar het fietscompartiment van de Duitse IC-trein niet zijn aangepast, maar ook doordat medereizigers zonder fiets slechts morrend opstaan van hun klapstoeltje in het gangpad. Ik vecht tegen onwil en help mee alle fietsen door het gangpad te duwen. Ik begrijp nu waarom een fietsreservering soms wel handig is. Aangekomen op Hoog Catharijne zie ik voor het eerst in een week niet alleen maar lelijke of te dikke volwassenen.