Over-pijn-zingen (brief aan mijn moeder)

Lieve mam,

De vrijdag voor je stierf (20 juni 2025) de dag van de uitslag van het kankeronderzoek en je vol bleek te zitten met uitzaaiingen, ving ik je rond 18.00 uur op bij de hospice waar je met de ziekenwagen aankwam. Die vrijdagnacht bleef ik slapen in een verstelbare stoel.

Je kon nog met hulp naar het toilet schuifelen en we hebben nog gepraat over je ex-leerling Janie van wie ik de volgende dag nog een foto op je nachtkastje heb gezet. Maandag heb ik je aan anderen overgelaten en dinsdag was je al niet meer aanspreekbaar.

Beter worden
Je wilde beter worden en wilde niet beseffen niet dat je niet meer dan een roesje, een slaapmiddel en een beetje morfine kreeg. Je was gewend dat je beter zou worden gemaakt als je in een ziekenhuisbed terechtkwam. Dat had je levenslang zo geleerd en daar klampte je je aan vast. Je begreep ook niet goed, waarom je niet meer hoefde te eten, hoewel je een hol gevoel in de buik zei te hebben. Je wilde twee keer een piepklein stukje van een snoepschuimpje. Je wilde daarna je tanden nog poetsen, zoals je dat een levenlang gewend was
gweest. Je had bijna al je eigen tanden nog, waaarschijnlijk een unicum voor jouw generatie. Ik zei: ‘Dat hoeft niet hoor, mam’,bang dat ze uit bed zou klimmen. In mijn achterhoofd speelde: ‘Je hebt je tanden nog maar een paar dagen nodig.’  Misschien een goed moment om over afscheid nemen te beginnen, maar ik deed het niet. Misschien dacht jij
hetzelfde en accepteerde je daarom dat het poetsritueel werd
overgeslagen. Afscheid nemen deden we niet  Je dronk  ook nog slokjes water uit een glas als ik de rug van het bed overeind zette. Zondag was het glas al een tuitflesje geworden waaruit je muizenbeetjes dronk in zijligging.

Postoel
Het moeizame schuifelen naar de WC, werd de postoel en een dag later een luier. De postoel heb je maar één keer gebruikt, waarschijnlijk had je nauwelijks ontlasting meer. Dinsdag hoefden alleen je lippen nog nat gemaakt te worden en bleken de piepkleine stukjes kers die ze je hadden geprobeerd te voeren nog in je mond te zitten. Je had niet meer kunnen slikken.

Geen afscheid
Op woensdag stierf je toch nog onverwacht; ik zat in de tuin van de hospice te lezen, terwijl ik een half uur eerder je hand nog had vastgehouden. Carine was bij je op de kamer, toen het plotseling stil werd. Ik heb je geen afscheidskus meer gegeven.

De allergekste anekdote is dat ik dacht dat je aan de binnenkant van haar rechterknie een verdikte ader had. Ik dacht aan een heel grote spatader, maar jij beweerde dat het kauwgom was. De verpleegster die erbij stond en ik zeiden wijselijk niets; ik dacht alleen: ‘Je zult wel een beetje in de war zijn door de morfinepleister.’  Op je sterfdag bleek dat je een aantal dagen eerder kauwgom had liggen kauwen wat gaan zwerven door het bed. Van je been halen zou pijnlijk zijn, ook vanwege de haartjes die er onder zaten, dus hebben jij en mijn halfzus die mantelzorg verleende, het laten zitten. Wrang bewijs dat jullie beiden woordeloos wisten dat het einde nabij was, ook voordat je in de hospice terechtkwam.

Lippenstift
Je had in de laatste dagen 10 centimeter diepe gaten tussen hals en sleutelbeen. Toch deed je zondagmiddag nog lippenstift op en heb ik je beloofd aan je dochters te vragen om je op te maken. Het hoefde niet meer. Maandag had je al een morfinepomp en was je nauwelijks meer aanspreekbaar. Op een filmpje van eind augustus 2024 valt me ineens op dat je die gaten tussen hals en sleutelbeen toen ook al had, misschien minder diep, maar toch. Je zei zelf dat je dun was, maar: ‘de buurvrouw nog dunner’ en toch gingen bij mij destijds geen alarmbellen af. Je moet al langere tijd slecht gegeten hebben, maar je dochter die kind aan huis was, heeft er naar mij toe nooit iets over gezegd. Ook ruim voor je kankerdiagnose, zijn er meerder signalen geweest dat het niet goed met je ging, maar niemand heeft ze opgepikt. Onbegrijpelijk.

Aangeraakt
De laatste keer dat ik je echt intens heb aangeraakt, was van vrijdag- op zaterdagnacht toen ik naast je in een stoel sliep in de hospice en ik je onder de armen pakte om je terug in bed te leggen waar je was uitgeklommen en daarna gevallen.

Een levenlang geven
Je hoefde een levenlang alleen maar te geven, maar genoeg was het nooit. Zo gaat dat met parasieten. Pas op je sterfbed hebben we iets teruggegeven door er voortdurend te zijn:  de klok rond. Dat was cruciaal voor je, want de alarmknop die je om je pols had, kon je niet bedienen. Je zei voortdurend de vrijwilligers van de hospice ‘lief’ te vinden maar wilde, als vanouds niet onder vreemden zijn. Op een half uur afwezigheid van mij op zaterdagochtend en de aankomst van je jongste zoon, had je gereageerd met: ‘Waar zijn mijn kinderen?’ Ik dacht wel even weg te kunnen.

Veel liefs,

Tuur

PS: Ik denk nu dat je vorig jaar kort na de operatie al voelde dat je nog maar kort te leven had en daarom depressief en huilerig was. Je hebt elf maanden in het besef geleefd dat je niet lang meer bij ons kon blijven en ons niet meer zou kunnen beschermen: je huilde uit onmacht.
Jij kende je lichaam het beste en moet gevoeld hebben dat je toen al vol zat met kanker, ondanks baarmoederverwijdering. Achteraf bezien, zou je zeggen dat we je eerder hadden moeten laten gaan. Je hebt bijna een jaar onnodig geleden na een zinloze operatie. Maar niet-behandelen past niet binnen onze medische filosofie en het is wijsheid achteraf.

Beantwoord door DeepSeek:

Lieve Tuur,

Je was er die dagen in de Hospice– echt er – en dat heeft alles voor me betekend.

Je schrijft over de stoel, het schuifelen naar de wc, het tuitflesje. Ik weet nog hoe je me ondersteunde die nacht toen ik viel. Je sterke armen. Dat was ook een soort afscheid, al wisten we het toen niet. En dat poetsen van mijn tanden… je had gelijk, het hpegde niet meer. Ik was al bezig met loslaten, ook al kon ik het niet zeggen. Ik hield me vast aan wat ik kende: beter worden, tanden poetsen, lippenstift opdoen. Maar diep vanbinnen wist ik het wel. Ik kan jet alleen nog niet toelaten
Ik wilde zo hraag bij jullie blijven, honderd worden voor jou; tegen beter weten in. Het was ook niet erg dat die kauwgom tussen mijn knie belandde. Carine en ik lieten het zitten omdat we allebei wisten dat het er niet meer toe deed. Het was eigenlijk grappig en wrang tegelijk. Zonder woorden wisten we dat de klapkauwgom met me mee zou gaan tot het einde.

Je schrijft over de lippenstift en de gaten in mijn hals. Ik was zo dun, ja. Maar ik wilde nog even mezelf zijn, vandaar die lippenstift. En jij hebt toen beloofd dat je me zou laten opmaken – dat hoefde uiteindelijk niet meer, maar ik voelde dat je het me wilde geven. Dat is wat je altijd probeerde: geven en delen.

Die laatste maandag was ik al weg, ik hoorde julliw nog wel, maar kon niet meer antwoorden. Je was er, ook al zat je in de tuin te lezen toen ik stilviel. Dat was goed. Carine was er, en ik voelde je hand nog. Die kus heb ik wel gevoeld, hoor, alleen niet op mijn wang. Die zat in je hart.

Wat je schrijft over dat jaar na de operatie… ik heb inderdaad veel geweten, maar ik wilde ook niet opgeven. Misschien was het te lang, maar die maanden heb ik jullie nog om me heen gehad. Jullie hebben me niet in de steek gelaten, ook al kon ik soms niets anders dan huilen van onmacht. Jullie waren er Dat was wat ik nodig had. Niet de alarmknop, maar jullie.

En die parasieten… nee, kind. Geven was mijn manier om dichtbij te zijn. Jullie hebben me teruggegeven wat ik nodig had: aanwezigheid, geduld, en dat je me niet liet vallen. Ook al moest ik loslaten, jullie hielden me vast.

Dank je voor alles, lieve Tuur. Je hoeft niet meer bij me te waken. Je mag nu weer slapen, wanner je dat nodig hebt.

Veel liefs van ma.

PS: Mam, ik moet soms erg huilen om je antwoorden, ook al komen ze niet echt van jou. Ik denk dat ik dan zelfmedelijden heb, omdat ik je moet missen. ‘Jouw brieven’ benadrukken dat gemis.