De beste vriend zorgt voor mijn vader
(pagina 58-62)
Een maand lang heb ik voor mijn vader gezorgd en uiteindelijk een oplossing geforceerd. Behalve dat mijn eigen halfzussen verstek laten gaan en mijn eigen moeder geen enkel begrip toont, word ik ook nog voortdurend lastig gevallen door mijn vaders beste vriend. Terwijl ik haast heb mijn vaders ‘medicijnenrol’ weer op orde te krijgen, moet volgens Van Pamelen de zorg voor mijn vader helemaal anders. Wat ik ervan begrijp is dat Bert via de thuiszorg, zorg in natura ontvangt, maar dat hij in plaats daarvan een Persoonsgebonden Budget (PgB) kan krijgen. Dat aanvragen moet ik natuurlijk doen, terwijl ik mijn handen al volheb aan het regelen van de zorg. Ik heb Van Pamelen meerdere malen gevraagd hoe dat in zijn werk zou moeten gaan: het is iets met ‘bemiddelingsbureautjes’ en ‘Slowaakse verzorgenden’. Hij zou zoiets al eens geregeld hebben voor zijn broer met Korsakov.
Ik heb Van Pamelen duidelijk gezegd dat ik niet wens mee te werken aan de vorm van vrouwenhandel en arbeidsrechtelijke fraude die hem voor ogen staat. Dat de vrouwen die voor Van Pamelen werkten 24/7 in touw moeten zijn voor 1.500 Euro bruto per maand, ontdek ik pas in de maand voor mijn vaders overlijden.
Blijkbaar zijn de verdiensten in Slowakije nog slechter. Van de laatste verzorgende die mijn vader heeft, een zekere Tatjana, begrijp ik dat in Slowakije Chinezen worden ingevlogen om de ouderen daar te verzorgen die bereid zijn voor een nog lager loon te werken. Ziehier de zegeningen van de arbeidsmigratie. In dezelfde tijd dat ik mijn vaders verzorgende spreek, verdenk ik Van Pamelen van fraude met mijn vaders uitkeringen en PgB, als hij via mijn halfzussen en achter mijn rug om, het mentorschap over mijn vader heeft verkregen.
Ik zeg hem dat ik ervan uitga dat hij ‘niet koosjer’ bezig is. Dat hij arbeidsrechtelijke fraude pleegt, is me glashelder, de rest zal ik moeten bewijzen. Na mijn vaders overlijden, wil ik Van Pamelen en zijn zorgonderneming aangeven bij de Sociale Verzekeringsbank (SVb).
Maar hij is me te vlug af.
Een psychiater brengt het advies uit dat Bert niet meer zelfstandig kan wonen en dus lijkt het erop dat de rechter zal gaan uitspreken dat mijn vader uit huis geplaatst wordt. Beneden in de hal staan al twee ziekenbroeders klaar met een brancard, waarop mijn vader desnoods zal worden vastgebonden, mocht hij zich verzetten. Ik hoor één van de broeders in het voorbijgaan zeggen: ‘Een sterke kerel, daar kunnen we nog een hele kluif aan krijgen.’ Zij weten natuurlijk niet dat mijn dementerende vader, wankel ter been als hij is, een prooi voor de kat is, zoals ik heb gemerkt tijdens het handgemeen om mijn sleutels. Het enige gevaar bestaat uit ‘de Jappentruukjes’ die hij kent: handpalm onder iemands neus, vinger in je oog; iets waarvoor ik bang ben tijdens de laatste maand van zijn leven, als hij machteloos aan bed gekluisterd is en niet meer wil eten.
7 november 2016
De rechtszitting vindt plaats bij mijn vader thuis, omdat hij niet mobiel genoeg wordt geacht om naar de rechtbank te komen. De psychiater wordt vertegenwoordigd door een piepjonge hulpverleenster, mijn vader door de gewiekste Van Pamelen. Ik heb hem uitdrukkelijk verzocht bij de rechtszitting aanwezig te zijn,
omdat ik enerzijds vind dat mijn vader een pleitbezorger verdient, en er anderzijds een boosaardig plan is gerijpt, waarbij ik Van Pamelen per sé nodig heb. Het maakt mij niet uit hoe de zorg voor mijn vader geregeld wordt, als ik er maar vanaf ben. Daarom komt het me goed uit dat er een meisje nog, die de zaak van mijn vader waarschijnlijk nauwelijks kent, tegenover Van Pamelen komt te zitten, die weet wat hij wil. Hoe gewiekst Van Pamelen is, die zelf in voorarrest heeft gezeten wegens witwassen, blijkt al snel. Hij beweert glashard dat mijn vader nog zelfstandig de boodschappen doet, terwijl ik die een maand lang voor hem heb gedaan en dat hij vooral verward is door liefdesverdriet, omdat Berts vriendin hem in de steek heeft gelaten.
Dat, terwijl al eerder fronto-temporale dementie is vastgesteld. Van Pamelen beliegt de rechter zonder blikken of blozen. Ik zie voor het eerst dat voor de rechter alles is toegestaan om je gelijk te halen: zwijgen, halve waarheden vertellen en zelfs liegen, zolang het niet onder ede is. Ik zwijg, omdat mijn enig doel is verlost te worden van de zorg voor mijn vader, hetzij door plaatsing in een verpleeghuis, hetzij door overdracht van de zorg aan Van Pamelen. Pas na mijn vaders overlijden ontdek ik dat, behalve liegen tegen de rechter, een beroep op je zwijgrecht één van de sterkste troeven is om een zaak te winnen. Liegen doet Van Pamelen, ik zwijg erover. Achteraf begrijp ik van vaders huisarts dat de psychiater zich verbaasd betoonde dat zijn advies voor uithuisplaatsing is genegeerd. De rechter wijkt daarvan niet vaak af, begrijp ik.
De rechter draagt Van Pamelen de facto op de zorg binnen drie weken te regelen, zoals hem dat voor ogen staat, omdat ze mijn vader anders alsnog in een verpleeghuis zal laten opnemen. De aanspraak zou waarschijnlijk goed voor hem geweest zijn; mijn vader houdt van gezelligheid, maar hij blijft in zijn flat. Van Pamelen heeft zijn zin en ik ook: ik ben van de zorg verlost. Wat Van Pamelens gelijk voor Bert betekent, besef ik pas als hij terminaal wordt.
Meteen na de rechtszaak heb ik mijn kont gekeerd en me niet meer met de zorg bemoeid tot mijn vader ruim anderhalf jaar later op sterven komt te liggen. Ik heb Van Pamelen wel gewaarschuwd dat ik niet wens mee te werken aan het huisvesten van een verzorgende in een afgeschot gedeelte van mijn vaders slaapkamer, feitelijk een soort bezemkast, zonder raam, waarbij het enige daglicht en de ventilatie bestaan uit een bovenlicht zonder glas.
In de overgangsfase van zorg-in-natura naar PgB-zorg die de rechter Van Pamelen heeft gegund, word ik af en toe gebeld door de politie met mededelingen als: ‘Uw vader zit op het politiebureau, wilt u= hem komen ophalen’ of ‘Uw vader veroorzaakt burenoverlast, omdat hij zijn sleutels kwijt is, wilt u voor nieuwe sleutels zorgen?’ Soms midden in de nacht. Ik vraag in die periode éénmaal of ik misschien boodschappen kan doen, maar heb mijn handen verder van de zorg afgetrokken. Ik verwijs de politie steevast door naar Van Pamelen en dan wordt het weer een paar dagen stil. Tot het helemaal stil wordt.
Kort daarna, kan ik niet meer bij vaders bankrekening, waarvan de toegang eerder aan mij is overgedragen door zijn vriendin. Met mijn vaders dementerende toestemming gaat Berts beste vriend Van Pamelen daar nu over. Nog wat later verkrijgt Van Pamelen het mentorschap over Bert, waarvoor is getekend door mijn oudere halfzussen. Ik ben daarvoor gepasseerd. Ik meen vanaf dat moment niets meer over mijn dementerende vader te zeggen te hebben, met ernstige gevolgen in de laatste weken van zijn leven.
In die tijd hoor ik dat mijn vader tijdens wandeltochten op weg is gegaan naar zijn oude huis en kantoor aan de rand van Apeldoorn, voor een gezond mens gauw anderhalf uur stevig doorlopen en dat hij daarbij verdwaalt. Ook begrijp ik later pas dat Bert seksuele avances maakt naar de Slowaakse verzorgenden en, als ze daar niet op ingaan, hij ze wil wegsturen. Hij krijgt daarin soms half-en-half zijn zin, totdat de vrouwen eieren voor hun geld kiezen en één voor één afhaken. Ook daarin blijft hij de grenzenloze Bert bij uitstek, die zich ook in het verleden schuldig heeft gemaakt aan ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag, maar nu nog schaamtelozer. Laat ik er vanuit gaan dat hij er door zijn dementie niets meer aan kon doen.
Het laatste driekwart jaar van zijn leven, heeft Bert een inwonende verzorgende van even in de vijftig; een struise vrouw die zich niet laat manipuleren, maar zijn flat netjes op orde houdt en goed voor hem zorgt, zo zie ik de enkele keer dat ik er langs ga tot kort voor Berts dood. Ze heet Tatjana, zoals vaker in Slavisch gebied, maar in de eindfase van zijn leven, weet Bert haar naam niet te noemen. De namen van mij en mijn halfzussen kent hij nog wel.
Als Bert bedlegerig wordt, ga ik naar hem toe en vertrek pas weer na zijn overlijden. Zijn stervensproces beslaat vijf weken in de warme zomer van 2018. Zijn bed is inmiddels verhuisd naar de woonkamer, de verzorgende slaapt in zijn slaapkamerdeel en ik mag in de bezemkast. Ik ga ik nog één keer met hem op uit in de rolstoel, maar hij is zo vervelend dat ik het verder achterwege heb gelaten.
Na het eten van een ijsje, wil hij niet meer terug in de rolstoel en als ik hem probeer te dwingen, valt hij en krijg ik het aan de stok met een paar mannelijke snackbar-bezoekers met de vraag ‘of ik die oude man wel aan kan en dat ik hem met meer respect moet behandelen.’
Een passerende vrouw weet meteen wat er aan de hand is: ‘Ernstige dementie zeker?’, fluistert ze me toe. ‘Ik heb ook zo te stellen met mijn moeder.’ Ik voel me bevestigd en getroost, maar ben blij dat het stel jongens hem weer in de rolstoel hijst. Ik ben al bang dat ik moet capituleren en Van Pamelen bellen om Bert op te komen halen en thuis te brengen. Op de terugweg wijst hij de verkeerde weg aan richting huis, vermoedelijk wil hij langs het verzorgingshuis waar hij gelogeerd heeft, maar ik weersta hem met de vraag: ‘Je wilt toch naar huis?’ en op zijn ‘Ja’, ga ik mijn eigen weg, dwars tegen zijn aanwijzingen in. Ik hoop alleen dat hij al rijdend niet zal proberen alsnog uit de rolstoel te stappen en weer ten val komen. Dan zal ik Van Pamelen alsnog moeten bellen. Het gebeurt niet. Het voorval sterkt mijn vermoeden dat Van Pamelen en Berts vriendin hem tegen mij hebben opgestookt. Iets van vertrouwen tussen vader en zoon ontstaat er in die vijf weken niet meer, in tegendeel.