Texel: klein continent of concentratie van vakantieleed

Texel is een klein continent van 6 bij 25 km, net duinen als bergen, staatsbossen, en grazige schapenweiden. Alleen een echte rivier ontbreekt. Ik kom er voor natuur, zee en strand, een kroeg weet ik niet te zitten en leef van brood met pindakaas, appels en oploskoffie. Ik geef inclusief logies op een boerencamping. In een week minder uit dan thuis. Als eenling heb ik contact met bijna iedereen op de camping; krijg van alles toegestopt, van een opener tot een plastic beker. Andere camping gasten koken water voor me en laden mijn telefoon op. Mensen doen van alles voor me, ongevraagd, maar ook omdat ik als “eenzame fietser” om hulp durf te vragen. Alle anderen hebben op z’n minst een ruime tent bij zich. Soms met buitenkeuken, maar meestal een joekel van een auto, een caravan en soms zelfs een dubbele buitentent, combinaties waarmee de hele ruim bemeten staanplaats is gevuld. Ik doe het ,et een anderhalf persoons tentje, een luchtbed en slaapzak. Als tafel gebruik ik een omgekeerde wasmand, die ik gewoon kan pakken uit de voormalige stal, evenals een tuinstoel. Zo ben ik van alle gemakken voorzien en als het erop aankomt ben ik de enige die met regenweer buiten kan zitten, omdat ik de enige ben die een regencape bij zich heeft. Andere eenzame fietsers van 40+, bepakt en bezakt met het hoognodige, kom ik op deze camping nooit tegen, laat staan vrouwen. Kampingbazin Adri vindt me een “vreemde vogel” te vinding, zo blijkt als ze over me gepraat heeft tegen mijn Vlaamse buren. Niet netjes, maar ze heeft me een plekje gegund, waarschijnlijk ook omdat ik al vaker bij haar gestaan heb en ik ruime fooien geef..

Ik fiets er op één dag naar toe: vanuit Utrecht, langs het Amsterdam Rijnkanaal, brug het IJ over bij Schellingwoude, Purmerend, de Beemster door- Ursem-Heerhugowaard-Waarland-Schagen-’t Zand-Den Helder (zo ongeveer). 40 km fieten langs de Kanaaldijk West is saai, maar praktisch: goed wegdek en almaar rechtdoor. Het kostte me een uur of twaalf, vooral omdat er altijd wel een technisch probleem is met mijn gemotoriseerde ligfiets, of het fietskarretje dat ik op deze rit voor het eerst gebruik. Het houdt de zaak spannend. Een ongelooflijk eigenwijze vent (althans dat vindt zijn vrouw) leent me een passende inbussleutel; een melkrijder uit de Beemster gaat met een slijptol aan de gang om de ophanging van mijn fietskarretje te verstevigen. Hij stelt voor om een bout dwars door mijn frame te boren om de achterhand van de fiets te fixeren. Dat gaat me te ver op Hij is na een aanreiding net gereviseerd,. Zijn idee om het frame nagelvast te fixeren blijft door mijn hoofd spelen en na thuiskomst fixeer ik het frame zonder te boren, met een slangklem en een stukje vertinde luidsprekerkabel. Het kan alleen nog los als ik dat wil en daar gaat het om.

Wat mensen allemaal niet voor me doen: alle fietsenmakers in de buurt hebben al voor me geslepen, geboord en gezaagd om alle panne aan de fiets op te lossen. Aan alle reparaties heb ik meegeholpen, of zelfstandig gedaan, zodat ik de technische makke van mijn bolide nu van haver tot gort ken. Hij zit zowat even complex in elkaar als een kleine auto, en kostte ongeveer hetzelfde. Ik heb problemen gehad met de ophanging van de fietskar; de vrijloop van de versnellingen, ben door mijn zitting heengezakt, mijn kettingegeleiders lieten los, motorstoring op weg naar Frankfurt, kreeg 5 lekke banden op één dag omdat ze na drie maanden stevig doorfietsen totaal versleten bleken en uiteindelijk werd ik ook nog vanuit een parkeerhaven aangereden, waardoor de fiets geheel in de revisie moest. Ik weet inmiddels een kettingpons te hanteren, een freewheelsleutel, een cranktrekker en een frameklem, allemaal typische fietsgereedschappen. Alleen spaken spannen wil me niet lukken. Uiteindelijk rijdt hij beter en stabieler dan ooit tevoren, en dat terwijl ik hem al negen jaar heb: nieuwe, hippe wielen, een nieuw middenframe, knalrood en het enige in zijn soort ter wereld, een beter verzet en met drie accu’s in de vorm van een bidon, heeft hij een dagactieradius van 250 kilometer en met éénwielige fietskar van 200. Ruim voldoende om Texel te halen, of zelfs de Duitse waddenkust. Ook heel mooi om te fietsen.

Boerencamping
De voorzieningen op de boerencamping waar ik ben zijn goed: stopcontacten voor het opladen van mijn fietsaccu’s, een wasmachine, droger, gemeenschappelijke koelkast, een vriezer en magnetron en dat alles voor acht Euro per dag, Het enige dat ontbreekt is een waterkoker, maar gelukkig is het kraanwater behoorlijk heet. Het sanitair is netjes en schoon; de enige aanmerking die ik zou kunnen maken is dat je je handen buiten de toiletten moet wassen. Er is een gemeenschapsruimte met tv en boekenkast waar ik kan verblijven als het langere tijd achtereen regent, maar eigenlijk kampeer ik alleen als langere tijd achter elkaar zomerweer is voorspeld., Ben je bereid over twee schapenhekken te klimmen, dan zit je na honderd meter aan de Waddenzee; het dichtstbijzijnde schelpenstrandje is 500 meter verderop. Veilig voor jonge kinderen, naar mijn idee, omdat er aan de waddenkant van Texel nauwelijks golfslag en geen branding is, tenminste bij mooi weer.

Marietje
Vanuit mijn hoekje naast de zandbak, waar mijn tentje staat, overzie ik bijna de hele camping die uit één groot grasveld bestaat en een paar losse staanplaatsen voor contactgestoorde backpackers op doorreis. Zij leven afgezonderd van de campinggasten op het grote veld. Niks voor mij, ik ben al vaak genoeg alleen, al staat naast mij een Vlaams stel met één tweejarige dochter, die elke ochtend klokke half zeven begint te dreinen en te jengelen. Vader of moeder komt geheid uit bed om Marie, Marieke of Marietje tot bedaren te brengen. Ik heb de ouders nooit een standje of terechtwijzing horen uitdelen, maar alleen smeekbeden aan Marie om toch alsjeblieft stil te zijn. Geen pogingen tot opvoeden of grenzenstellen, maar sussen uit radeloze schaamte tegenover de andere campinggasten. Maar wat moet je als ouder, zelf kinderen van de jaren zeventig en tachtig, toen opvoeden en grenzen stellen uit de mode waren. Als kinderloze vijftiger zie ik de machteloosheid met verbazing aan. De vader van Marie ontmoet ik vaker. Ook als ik onderweg ben; éénmaal op het schelpenstrandje. Hij zit mij tegen het talud zitten, omdat dat zo lekker schuin afloopt en ik dan uitzicht heb over het hele strand en vraagt of ik een biertje bij me heb. Dat heb ik en ik geef het hem. Als hij het op heeft, belt zijn vrouw op, die met zijn schoonmoeder op een terrasje zit. Hij vraagt of ze nog wat te drinken meemeemt, maar laat na te zeggen dat hij het liefst een biertje heeft. Ik vemoed dat hij bang is voor alcoholist te worden uitgemaakt, als hij om een biertje vraagt. Zolang ik bij hem op het strand zit, waggelt Marie van hem weg. Beklimt het talud waar de trap naar de top van de Waddenzeedijk lonkt. Er kan niets gebeuren, er is geen verkeer, Marietje wil alleen de wereld verkennen. Toch staat vader telkens op om haar op de hielen te gaan trappen. Ik bezweer hem dat er niets kan gebeuren en dat het genoeg is vanaf ons plekje een oogje in het zeil te houden. Hij probeert vervolgens wat langer te blijven zitten. Ik vraag me af waar ik me als kinderloos opvoeder mee bemoei. Maar ik voel me in mijn recht staan is, omdat dezelfde overbezorgdheid er de oorzaak van is dat Marietje me elke ochtend wakkerjengelt. Pas als Marietje de trap begint te beklimmen die naar de top van de waddenzeedijk beklimt staat Gijs op om haar te gaan halen. Er kan in mijn ogen nog steeds niets gebeuren. De trap is niet stijl en de treden zijn zo groot, dat Marietje alleen omhoog kan kruipen, niet lopen. Als hij met haar terugkomt, komt de aap uit de mouw: hij is niet zozeer bang dat Marie zich bezeert, maar dat vrouw en schoonmoeder aan de andere kant van de dijk opduiken. Ze zouden hem zo maar een ontaarde vader kunnen vinden.

Zorgen
Ik heb geen vrouw en geen kind, noch een schoonmoeder en bijna niets bij me. Ik heb mijn sores en verantwoordelijkheden achter me gelaten; ergens op het vasteland bij Den Helder. Zij zullen mijn fietskar pas weer weten te vinden aks ik de boot weer af ben in de haven van Den Helder. Naarmate ik dichter bij huis kom zullen ze langzaam xzwaarder gaan wegen. Al verlang ik er na een week ook naar om weer even thuis te zijn en in mijn eigen bed te liggen.

Hond Iso
In de loop van de dagen dat dit Vlaamse gezin naast me staat, krijg ik een beeld van de onderhuidse en soms openlijke spanning die er heerst tussen vader enerzijds en vrouw en schoonmoeder anderzijds. Hij rept openlijk over de moeizame communicatie en ik zie haar aan hoe zwaar haar het hebben van een kind valt. Hem verdenk ik ervan dat hij nooit aan Marietje begonnen zou zijn, als hij zich bijtijds had beseft hoezeer een jong kind een handebinder is. Hij laat onomwonden weten geen tijd meer voor zichzelf te ervaren. Hij zou waarschijnlijk het liefst een paar avonden met mij op sjouw gaan. Al was het maar om de dichtstbijzijnde zonsondergang te bekijken met een biertje erbij. Hij slaagt er geen enkele avond in om zich van vrouw, kind en schoonmoeder los te maken, toch is hij blij dat ik naast hem op de camping sta. Ze hebben een hond bij zich, waar ik pas na dagen achterkom, omdat hij een groot deel van de dag in de auto opgesloten zit. De hond is zo oud als de relatie duurt en net zo versleten en aan het eind van zijn levensduur. Hij blijkt Marietje te bijten. Als zij al te enthousiast naar hem toekomt en bovendien alle aandacht opeist die voor haar komst, voor hem bestemd was. De hond heeft een vreemde naam en ik weet hem nog, omdat het tevens de aanduiding is van een compressiemethode in de it-wereld: Iso. Iso gaat voortijdig met schoonmoeder terug naar Antwerpen.

Relationele spanning
Relationele spanning zie ik bij veel partners terug, met en zonder kinderen. Over de opvoeding; dat Kees eigenlijk net zo eigenwijs is als z’n vader, wat een dubbel verwijt inhoudt. Vanaf mijn plekje naast de zandhoop met kinderspeeltjes, heb ik zicht op het looppad van sanitair, afwasruimte en gemeenschapsruimte het veld op. Misschien komt allerlei huiselijke stress juist in de vakantie naar boven. Omdat ze er nu de tijd voor hebben, zoals sommigen er alleen tijdens de vakantie toe komen een boek te lezen. Misschien komt het omdat mensen op de camping dingen doen die ze anders nooit doen, zoals de gezamenlijke afwas, die thuis in z’n eentje wordt gedaan door de vaatwasser. De afwas zorgt voor noodgedwongen nabijheid, de verplichting tot social talk om geen pijnlijke stiltes te laten vallen waaruit blijkt dat de gezinsleden elkaar niets meer te zeggen hebben. De afwas en het gebrek aan werkstress blijkt plotseling goed voor een explosief mengsel van ingehouden ongenoegen.

Spelende kinderenZandbakpopulatieBoerin Adri
Boerin Adri is altijd present als er auto’s richting de camping komen. Ook loopt ze elke avond haar rondje langs alle tenten en caravans om te vragen hoe het iedereen vergaat. Adri is de baas en haar man poetst (als geboren Texelaar) de toiletten en douches en maait het gras.

Paal 9
’s Avonds fiets ik een aantal keren naar het strand bij Paal 9, dwars het eiland over. Op mijn gemotoriseerde ligfiets niet meer dan 20 minuten. Ik wil de gehele zonsondergang fotograferen. Maar hoewel het overdag vrijwil onbewolkt is, rij ik er meestal vergeefs heen. Ik neem een paar biertjes bij me in een koeltasje, waarvan ik tussen het fotograferen door zo nu en dan een slok neem Ik drink mijn supermarktbiertje in volle tevredeheid, met mijn rug tegen het houten beschot van de strandtent, Bij elk biertje dat zo naar binnenglijdt, smaak ik het extra genoegen weer drie Euro te hebben uitgespaard. Een klein deel daarvan maak ik later weer op om in de strandtent een frietje te bestellen. Vooral lekker vanwege het zout dat erop zit en waarmee ik thuis heel matig ben. Als mijn jongere broer een paar dagen op bezoek komt met zijn werptent, die weliswaar snel opzet, maar 2 maal zo zwaar en drie maal zo volumineus is als de mijne, wil ik niet ongastvrij zijn en strijk naast hem neer op het terras. Dure drankjes en de meerwaarde ervaar ik als nul. Als hij weer naar huis is, ga ik ;s avonds weer een meter verderop in het zand zitten, of als ik niet fotografeer, aan een buitentafel. Kortom: mijn levensgeluk is even groot als ik geen geld uitgeef, of misschien wel groter, omdat het besef horecatechnisch afgezet te zijn, achterwege blijft. Met mijn broer fiets ik een volledig rondje Texel: van de camping naar de Cocksdorp en vuurtoren, langs de prachtige Slufter, via Ecomare naar Paal negen bij Den Hoorn en dan langzaam terug het eiland over naar de camping. Je fietst dan ook nog door het Texelse bos, iets wat ik op mijn rondjes zelden doe, omdat ik ze in m’n eentje nooit afmaak. Met mijn broer erbij wel, hoewel hij de 60 kilometer aflegt op een doodgewone stadsfiets. Het duingebied tussen vuurtoren en Slufter ervaar ik als een soort ver weg buitenland met zijn woest begroeide duintoppen en glooiingen. Dit keer niet de kakofonie van duizenden broedende meeuwen aan de waddenkant van het eiland, die voor hun voedsel maar 150 meter verder de zeedijk over hoeven te zweven, zoals eind juni. De meeuwen zijn er wel, maar veel kleiner in aantal, meer verspreid en minder lawaaierig. Ook de lammeren zijn anderhalve maand later al behoorlijk schaaps geworden. Zo laat de natuur op Texel al hele grote veranderingen zien; iets wat me thuis alleen opvalt aan het donkerder groen van de bomen.

Bebouwing
Voor de meeste dorpen hoef je niet op Texel te zijn: “Hoofdstad” Den Burg bevat veel nieuwbouw, De Koog is ultra-toeristisch; eigenlijk is alleen de oude “wereldhaven’ Oudeschild, waar de VOC-schepen wachtten op gunstige wind en Oosterend qua bebouwing de moeite waard. Oosterend, bestaat voorzover ik kan zien in zijn geheel nog uit het oude kerndorp; Oudeschild heeft verder van de dijk gelegen een hele schil aan nieuwbouw gekregen. Hetzelfde geldt voor ’t Hoorntje op de uiterste zuidoostpunt van Texel. Bij ’t Hoortje lijkt het om allemaal vakantiewoningen te gaan; in Oudeschild om nieuwe, permanente bewoners.
Maar voor de bebouwing kom ik niet op Texel. Alleen voor het natuurschoon, al is het wel handig dat Den Burg een Aldi, Jumbo, Action en Gamma heeft. Dezelfde afzichtelijke winkelketens als thuis, maar wel betaalbaarder dan SPAR, de enige winkel in de kleine dorpjes. Als ik daar, op doorreis, een enkele keer een biertje koop, dan kan ik voor het geld evengoed op een terrasje gaan zitten. Daar is het tenminste gekoeld.

Autovrij
Nu Texel nog autovrij maken; dat zou geweldig zijn, maar dat kost waarschijnlijk te veel toeristen. Dan zou je de bijna absolute stilte kunnen ervaren, die het Duitse Waddeneiland Spiekeroog kenmerkt. Daar hoor je op een windluwe dag alleen de krekels in het gras en het bloed in je oren, maar dat kan soms ook de zee zijn. Tot het zover is, ben ik vast nog heel vaak op Texel.

Leidse Rijn
De thuisreis vanaf Den Helder is een makkie. Prima fietsweer: niet te warm, zonnetje erbij, weinig wind, maar wel mee, totdat ik 10 kilometer van huis verkeerd rij.
De route langs het kanaal bij Breukelen blijkt afgesloten. Ik heb nog accu-capaciteit genoeg, dus besluit terug te rijden via Kockengen, Haarzuilens, Vleuten en Leidse Rijn. Na het bijna sprookjesachtig, grazige dorpsplein van Haarzuilens, kom ik in Leidse Rijn in een soort maanlandschap terecht, Het is dat er op de balkons van sommige appartementen in de onafzienbaar lange flats planten staan, anders zou ik niet geloven dat er in deze desolate betonbuurt, vrijwel zonder groen, werkelijk mensen wonen. Dat ze zelfs de appartementen met uitzicht op een parkeergarage verkocht krijgen, onvoorstelbaar.

Bijna thuis
Het begint al te schemeren en ik vind de oprit naar de brug over het Amsterdam Rijnkanaal naar niet. Wel bordjes met “Leidse Rijn Centrum”, maar die met “Utrecht centrum” zijn verdwenen. Ik word langzaam onrustig in het half donker en ben bang om in “Leidse Rijn” te verdwalen. Ik heb wel eens gehoord dat het net zo groot is als Assen. Zou best kunnen als het zelfs een eigen centrum heeft. Ik ga fietsbordjes “Utrecht” volgen en kom ten slotte uit bij de vriendelijk ogende “speelgoed” brug met knalgele spijlen over het Amsterdam Rijnkanaal. Wat een vrolijk kleurtje in de spuitverf niet voor associaties kan oproepen. Bijna thuis, denk ik opgelucht. Ik ben wel op een plek de stad binnengereden waar de route door het centrum vrijwel volledig is afgesloten, het is flink gaan regenen en het al behoorlijk donker.

Volkskroeg
De vrijloop van mijn fiets werkt niet goed meer, al ben ik er in één ruk door mee van Texel gekomen. Bij het eerste stoplicht de stad in, loopt mijn ketting vast; een jongen die mijn technische panne mee bekijkt, ziet meteen dat mijn ketting gebroken is. Ik heb inbussleutels mee, steeksleutels, maar geen tang en zeker geen kettingpons. Dat wordt lopen met de fiets aan de hand. Hoe kom ik lopend, in het donker het centrum door. Ik ken dit deel van de stad niet, omdat ik er vrijwil nooit kom. Ik sta voor een echte volkskroeg met Hepie-en-Hepie muziek. Ik krijg meteen een biertje van een zekere Peter en strijk neer op het rokersbankje op de stoep voor het café om rustig te kunnen nadenken hoe de fiets thuis te krijgen zonder te veel moeite. Er schiet me niks te binnen. Een te zwaar opgemaakte vrouw van middelbare leeftijd, die ik door de make-up op mijn oma vind lijken, zegt: “Je hebt toch een bagagespin bij je, dan kun je de fiets toch achter je aan slepen?” Slim. Had ik zelf niet aan gedacht. Ik besluit alvorens aan de laatste etappe door de stromende regen te beginnen, binnen een jenevertje te halen. Ook die krijg ik, dit keer van een vrouw met een lijntje rond haar lippenstift. Zou ze “in het vak zitten?”. Vraag ik me af. Anders kan er toch geen reden zijn om je tot onherkenbaarheid dicht te smeren? Als ze de helft van haar make-up zou weghalen, zou ze ronduit mooi zijn. Van mijn buurvrouw, die in de cosmetica werkt, weet ik dat het zo is, Jammer genoeg vindt ze zelf van niet.

Lombok
Terwijl ik mijn jenevertje opdrink heb ik spijt als haren op mijn hoofd dat ik de gebruiksaanwijzing van de elektromotor nooit heb bekeken die in mijn achterwiel zit. Ik weet dat hij een 6-kilometerstand heeft, waarbij je niet hoeft te trappen, maar ik weet niet hoe die geactiveerd moet worden, Bij thuiskomt blijkt dat ik één enkel knopje ingedrukt had moeten houden, maar vanaf de kroeg wordt het slepen. 50 meter verderop staan twee studentikoze meisjes aan de voorduur te overleggen over welke boodschappen gehaald moeten worden bij de “Appie”. Twee werelden: een volkse en een academische op 50 meter van elkaar. En daartussen waarschijnlijk dan nog Turken, Marokkanen en andere allochtonen. De wijk blijkt Lombok te heten en ik krijg mijn kettingpech aan het begin van de Vleutenseweg.

Jaarbeursplein
Ik sleep mijn fiets zeker anderhalf uur achter me aan en ter hoogte van de Jaarbeurs heb ik geen idee meer hoe ik door de dichtstbijzijnde fietserstunnel onfrt het station door kom. Overal staan betonnen afscheidingen; ik vraag de weg; een meisje kijkt in de stromende regen op haar smartphone, maar kan me ook niet echt verderhelpen. Ik kan het al helemaal niet zien op z’n klein schermpje. Ik voel me bezwaard dat ik haar ophoud en bied haar de regencape aan die ik overheb. Ze hoeft ‘m niet. Ik herken voor me ineens het Jaarbeurspein. Ik overweeg fiets en fietskar met hulp van voorbijgangers op de roltrap te zetten en ze dwars door de stationshal en Hoog Catharijne te slepen, maar verwerp het Idee weer: stel dat de doorgang naar het Moreelsepark-Mariaplaats op dit tijdstip al afgesloten is? Dan is er via de kortste weg ineens geen doorkomen aan. Tot voor kort kon je rechts om de Jaarbeurs heen een tunnel door. En ja: open? Eerste horde genomen.

Vreeburg

Dan door het doolhof aan betonnen afscheidingen richting het Vreeburg. Ik weet de weg niet en heb geen zin al dolend overhoop gereden te worden door tegemoet rijdende fietsers, die me met mijn lage fiets in de onoverzichtelijke en smalle bochten slecht kunnen zien aankomen. En ik heb al duwend en trekkend, half voor en naast de fiets veel ruimte nodig. Om elke vergissing uit te sluiten, vraag ik een jongen die met twee fietsen aankomt en die veronderstelt dat ik op vakantie ga, me uit te leggen hou ik bij het begin van het Vreeburg kom, hij besluit met me mee te lopen en biedt zelfs aan een kettingpons van huis te halen. Ik bezweer hen dat dat niet hoeft en dat de fietsenmaker er goed voor is. Ik herken het enige karakteristieke gebouw dat aan de slopershamer van Hoog Catharijne is ontsnapt op de hoek van Vreeburg en Smakkelaarsveld, maar ben blij dat Kas me erlangs brengt. Dan herken ik het weer. Ik steek over en doe braaf wat de verkeersregelaar me zegt: ik sleep mijn fiets de brede stoep op. Verderop kan het me niet meer schelen dat ik het fietspad blokkeer: heb geen zin om langs geparkeerde fietsen te manoeuvreren en er rijden tegenwoordig zoveel fietsers tegen het verkeer in, dat ik het aan de creativiteit van de achteropkomende fietsers overlaat, hoe ze me passeren. Ik zet voor de zekerheid wel al mijn fietsverlichting op: knipperen. Het zijn er vier, inclusief standlicht aan mijn fietskar en polsbandje aan mijn fietsvlag. Na anderhalf uur trekken en duwen, heb ik last van mijn tennisarm en sop ik, ondanks regenkleding mijn schoenen uit. Wel weer veilig thuisgekomen. De volgende dag leer ik hoe de kettingpons werkt, die ergens tussen mijn gereedschap opduikt en slaag ik erin drie schakels te vervangen. Voortaan heb ik behalve bij mijn bandenplakspullen, niet alleen een paar steek- en inbussleutels bij me, maar ook een kettingpons en een stukje ketting. Maar de echte oplossing is het vervangen van het freewheel-systeem op mijn achterwiel. En dat kan ik niet zelf. Daar heb ik een fietsenmaker voor nodig, die zich waagt aan een gemotoriseerde ligfiets. Ik stel mijn hoop op een fietsenmaker die gespecialiseerd is in elektrische fietsen. Hij zit nog bij me in de buurt ook.
Naar het “Jordaanse” cafe met z’n gastvrije klandizie ga ik op een zaterdagavond nog eens terug en volgend jaar ook weer naar Texel

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *